Font size
WorksheetsWoordsoorten 8B
Total questions: 15
Worksheet time: 8mins
Wat is juist? Meer dan één antwoord mogelijk!
Zo herken je het zelfstandig naamwoord:
Je kunt er vaak een lidwoord voor zetten.
Je kunt er vaak enkelvoud of meervoud van maken.
Je kunt er vaak een verkleinwoord van maken.
Je kunt het in de verleden tijd zetten.
Welk woord geeft onder andere extra informatie bij een werkwoord of een bijvoeglijk naamwoord?
bijwoord
zelfstandig naamwoord
bijvoeglijk naamwoord
voorzetsel
Welke van de volgende onderstreepte woorden is geen bijvoeglijk naamwoord?
de krakende vloer
De Volvo is groot.
de onweerstaanbare brownie
Die film is ontzettend mooi.
Die, dit, dat en deze zijn
aanwijzende voornaamwoorden
lidwoorden
bijvoeglijke naamwoorden
bijwoorden
Benoem vanaf hier de woordsoorten van de onderstreepte woorden.
Alles had een kleur gekregen, behalve de sneeuw.
lidwoord
bijvoeglijk naamwoord
aanwijzend voornaamwoord
zelfstandig naamwoord
De aarde was bruin, het gras groen, de rozen rood en de zon was van goud.
werkwoord
zelfstandig naamwoord
bijvoeglijk naamwoord
voorzetsel
Tenslotte bleef voor de sneeuw geen kleur over.
zelfstandig naamwoord
bijvoeglijk naamwoord
voorzetsel
persoonlijk voornaamwoord
De arme sneeuw besloot om aan één van de anderen een beetje kleur te vragen.
Werkwoord
Zelfstandig naamwoord
Voorzetsel
Bijvoeglijk naamwoord
Eerst ging hij naar de aarde: "Aarde, mag ik een beetje van jouw bruine kleur?" Maar de aarde sliep en antwoordde niet.
Bezittelijk voornaamwoord
Persoonlijk voornaamwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Bijwoord
Daarna ging de sneeuw naar het gras, maar het gras was gierig en deed alsof het niets gehoord had.
Bijwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Zelfstandig naamwoord
Voorzetsel
Toen ging de sneeuw naar de roos en smeekte. Maar de roos was erg verwaand en draaide haar hoofd af.
Voorzetsel
Bijwoord
Aanwijzend voornaamwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Tenslotte vroeg hij aan een klein, wit bloemetje: "Mag ik wat van jouw mooie kleur?"
Bijvoeglijk naamwoord
Betrekkelijk voornaamwoord
Bijwoord
Zelfstandig naamwoord
En het lieve bloemetje antwoordde: "Natuurlijk sneeuw, neem zoveel als je wil!"
Bijwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Voorzetsel
Zelfstandig naamwoord
Zo nam de sneeuw een beetje van de witte kleur van de bloem en vanaf dat ogenblik was de sneeuw wit.
Aanwijzend voornaamwoord
Betrekkelijk voornaamwoord
Voorzetsel
Bijwoord
En het tere bloemetje aan de rand van het bos werd vanaf dat moment sneeuwklokje genoemd.
Zelfstandig naamwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Bijwoord
Voorzetsel
