wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Woordsoorten 8B

Total questions: 15

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Wat is juist? Meer dan één antwoord mogelijk!

Zo herken je het zelfstandig naamwoord:

a)

Je kunt er vaak een lidwoord voor zetten.

b)

Je kunt er vaak enkelvoud of meervoud van maken.

c)

Je kunt er vaak een verkleinwoord van maken.

d)

Je kunt het in de verleden tijd zetten.

2.

Welk woord geeft onder andere extra informatie bij een werkwoord of een bijvoeglijk naamwoord?

a)

bijwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

voorzetsel

3.

Welke van de volgende onderstreepte woorden is geen bijvoeglijk naamwoord?

a)

de krakende vloer

b)

De Volvo is groot.

c)

de onweerstaanbare brownie

d)

Die film is ontzettend mooi.

4.

Die, dit, dat en deze zijn

a)

aanwijzende voornaamwoorden

b)

lidwoorden

c)

bijvoeglijke naamwoorden

d)

bijwoorden

5.

Benoem vanaf hier de woordsoorten van de onderstreepte woorden.

Alles had een kleur gekregen, behalve de sneeuw.

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

aanwijzend voornaamwoord

d)

zelfstandig naamwoord

6.

De aarde was bruin, het gras groen, de rozen rood en de zon was van goud.

a)

werkwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

voorzetsel

7.

Tenslotte bleef voor de sneeuw geen kleur over.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

voorzetsel

d)

persoonlijk voornaamwoord

8.

De arme sneeuw besloot om aan één van de anderen een beetje kleur te vragen.

a)

Werkwoord

b)

Zelfstandig naamwoord

c)

Voorzetsel

d)

Bijvoeglijk naamwoord

9.

Eerst ging hij naar de aarde: "Aarde, mag ik een beetje van jouw bruine kleur?" Maar de aarde sliep en antwoordde niet.

a)

Bezittelijk voornaamwoord

b)

Persoonlijk voornaamwoord

c)

Bijvoeglijk naamwoord

d)

Bijwoord

10.

Daarna ging de sneeuw naar het gras, maar het gras was gierig en deed alsof het niets gehoord had.

a)

Bijwoord

b)

Bijvoeglijk naamwoord

c)

Zelfstandig naamwoord

d)

Voorzetsel

11.

Toen ging de sneeuw naar de roos en smeekte. Maar de roos was erg verwaand en draaide haar hoofd af.

a)

Voorzetsel

b)

Bijwoord

c)

Aanwijzend voornaamwoord

d)

Bijvoeglijk naamwoord

12.

Tenslotte vroeg hij aan een klein, wit bloemetje: "Mag ik wat van jouw mooie kleur?"

a)

Bijvoeglijk naamwoord

b)

Betrekkelijk voornaamwoord

c)

Bijwoord

d)

Zelfstandig naamwoord

13.

En het lieve bloemetje antwoordde: "Natuurlijk sneeuw, neem zoveel als je wil!"

a)

Bijwoord

b)

Bijvoeglijk naamwoord

c)

Voorzetsel

d)

Zelfstandig naamwoord

14.

Zo nam de sneeuw een beetje van de witte kleur van de bloem en vanaf dat ogenblik was de sneeuw wit.

a)

Aanwijzend voornaamwoord

b)

Betrekkelijk voornaamwoord

c)

Voorzetsel

d)

Bijwoord

15.

En het tere bloemetje aan de rand van het bos werd vanaf dat moment sneeuwklokje genoemd.

a)

Zelfstandig naamwoord

b)

Bijvoeglijk naamwoord

c)

Bijwoord

d)

Voorzetsel