wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

NE: Thema 1

Total questions: 30

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het werkwoord in deze zin?
Hij houdt haar aan het lijntje.

(a)  

2.

Wat is het werkwoord in deze zin?
Wij haasten ons naar buiten.

(a)  

3.

Wat is het werkwoord in deze zijn?
Ik wil zo graag een hondje voor mijn verjaardag.

(a)  

4.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?
Harry ligt al dagen wakker van het nieuws.

a)

Harry

b)

ligt

c)

al dagen wakker

d)

van het nieuws

5.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?
Juf Amber is naar school gefietst deze ochtend.

a)

Juf Amber

b)

is

c)

naar school

d)

gefietst

e)

deze ochtend

6.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?
Ik moet nog naar de dokter deze middag.

a)

Ik

b)

moet

c)

nog

d)

naar de dokter

e)

deze middag

7.

Wat is het onderwerp in deze zin?
Naar school gaan vind ik heel leuk.

a)

naar school

b)

gaan

c)

vind

d)

ik

e)

heel leuk

8.

Wat is het onderwerp in deze zin?
Yousra en Lena spelen graag verstoppertje in het park.

a)

Yousra en Lena

b)

spelen

c)

graag

d)

verstoppertje

e)

in het park

9.

Wat is het onderwerp in deze zin?
De mama van Taizoon kookt heel lekker eten.

a)

De mama

b)

Taizoon

c)

kookt

d)

heel lekker eten

e)

De mama van Taizoon

10.

Ik vond mooie schoenen in die winkel.

a)

Tegenwoordige tijd

b)

Verleden tijd

11.

Wij belden naar onze ouders met onze gsm.

a)

Tegenwoordige tijd

b)

Verleden tijd

12.

Ik help graag andere mensen.

a)

Tegenwoordige tijd

b)

Verleden tijd

13.

Zij koopt een ontzettend mooie kast.

a)

Tegenwoordige tijd

b)

Verleden tijd

14.

Riaan viel van de trap.

a)

Tegenwoordige tijd

b)

Verleden tijd

15.

Schrijf het werkwoord in de andere tijd (enkel het werkwoord typen!): Ik eet. --> Ik (a)  

16.

Schrijf het werkwoord in de andere tijd (enkel het werkwoord typen!): Hij speelt --> Hij (a)  

17.

Schrijf het werkwoord in de andere tijd (enkel het werkwoord typen!): Het leek zonnig vandaag. --> Het (a)   zonnig vandaag.

18.

Schrijf het werkwoord in de andere tijd (enkel het werkwoord typen!): Er zijn veel kinderen. --> Er (a)   veel kinderen.

19.

Schrijf het werkwoord in de andere tijd (enkel het werkwoord typen!): Hij glijdt uit. --> Hij (a)   uit.

20.

Wat is het tegengestelde van zwaar?

a)

licht

b)

donker

c)

groot

21.

Televisie, kranten, media en internetsites zijn allemaal verschillende ........?

a)

ambtenaars

b)

resoluut

c)

media

d)

laminaat

22.

Als je woedend bent, dan ben je aan het ............. ?

a)

briesen

b)

combineren

c)

in stijgende lijn gaan

d)

steentje bijdragen

23.

Als ik te veel fouten maak op mijn werk dan krijg ik mijn ........... ?

a)

overlast

b)

conclusie

c)

laminaat

d)

ontslag

24.

Als je bladzijden open laat in je voorbereidingsschrift dan is dat een enorme .......... van bomen

a)

grafiek

b)

bemiddelaar

c)

verspilling

d)

overlast

25.

Ik wil tekenles gaan doen en ook gaan dansen, dus ik moet die twee dingen .......?

a)

lokken

b)

bemiddelen

c)

combineren

26.

Als ik zeker wil dat er iets op die manier moet gebeuren dan ben ik .....?

a)

resoluut

b)

origineel

c)

synoniem

d)

laminaat

27.
a)

briesen

b)

resoluut

c)

ontslag

d)

origineel

28.

Wat is een synoniem voor vastberaden?

a)

resoluut

b)

het ontslag

c)

origineel

d)

de conclusie

29.
a)

de verspilling

b)

chronologisch

c)

de media

d)

de woekerprijs

30.
a)

de media

b)

de grafiek

c)

de conclusie

d)

origineel