wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

NER T1

Total questions: 11

Worksheet time: 6mins

Name
Class
Date
1.

Een goede onderzoeksvraag is...

a)

een zin

b)

één duidelijke vraag

c)

lang omschreven

d)

een stappenplan

e)

onderzoekbaar

2.

Een goede onderzoeksvraag is...

a)

zinvol

b)

niet zinvol

3.

Kies de best geformuleerde wetenschappelijke onderzoeksvraag.

a)

Een blikje cola light is lichter dan een blikje gewone cola.

b)

Is een blikje cola light lichter dan een gewoon blikje cola?

4.

Kies de best geformuleerde wetenschappelijke onderzoeksvraag.

a)

Hoeveel leerlingen in de klas zouden graag natuurwetenschappen in het Engels krijgen?

b)

Spreekt je leerkracht natuurwetenschappen ook vloeiend Engels op reis?

5.

Na de onderzoeksvraag formuleert de wetenschapper een hypothese. Dit is ...

a)

een vraag met een duidelijk antwoord

b)

het besluit om de onderzoeksvraag

c)

een mogelijk antwoord op de onderzoeksvraag

d)

wat je allemaal nodig hebt om het experiment te doen

6.

De benodigdheden kan je halen uit ...

a)

de hypothese

b)

de werkwijze

c)

de onderzoeksvraag

d)

het besluit

7.

Welke stap van het onderzoek is dit:

"Ik leg de ene boterham in de frigo en de ander naast de frigo."

a)

onderzoeksvraag

b)

hypothese

c)

benodigdheden

d)

werkwijze

e)

waarneming

8.

Welke stap van het onderzoek is dit:

"Ik zie meer schimmel op de boterham die naast de frigo ligt."

a)

waarneming

b)

hypothese

c)

besluit

d)

werkwijze

e)

reflectie

9.

Welke stap van het onderzoek is dit:

"Ik had de boterham iets langer in en naast de frigo laten liggen."

a)

waarneming

b)

hypothese

c)

besluit

d)

werkwijze

e)

reflectie

10.

Wie is op weg om een goede wetenschapper te worden.

a)

Luk haalt nog vlug een lepel om in zijn potje te roeren die op het vuur staat

b)

Silke neemt het materiaal en begint onmiddellijk aan de proef

c)

Hassan leest de werkwijze stap voor stap en begint daarna met stap 1 uit te voeren

d)

Cliff die denkt het antwoord te weten en voert de proef niet uit.

11.

Wat kan je waarnemen?

a)

De man draagt een hoed

b)

De man krijgt een corona-prik

c)

De man is niet alleen

d)

Er zit een plastieken zak in de emmer