wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

verbranding bs 1 tm 3

Total questions: 43

Worksheet time: 22mins

Name
Class
Date
1.

De defenitie van verbranding is:

a)

reactie tussen houtskool en brandstof

b)

reactie tussen brandstof en zuurstof

c)

reactie tussen brandstof en koolstofdioxide

d)

reactie tussen gas en koolstofdioxide

2.

Zonder zuurstof kan er geen verbranding plaatsvinden

a)

juist

b)

onjuist

3.

Kaarsvet is een vorm van verbranding

a)

juist

b)

onjuist

4.

Bij verbranding komen verbrandingsproducten vrij welke?

a)

Zuurstof en water

b)

water en energie

c)

energie en koolstofdioxide

d)

koolstofdioxide en water

5.

Wat is waar?

a)

Voor verbranding is energie nodig

b)

bij verbranding komt energie vrij

6.

Waar staan 3 vormen van energie

a)

Licht warmte water

b)

licht warmte ademhaling

c)

warmte beweging licht

d)

warmte beweging ademhaling

7.

Met welke stof kun je koolstofdioxide aantonen?

a)

kalkwater

b)

helder kalkwater

c)

troebel kalkwater

d)

jodium

8.

Een stof waarmee je een andere stof kan aantonen noem je

a)

brandstof

b)

indicator

c)

energie

d)

kalkwater

9.

Zuurstof die je nodig hebt bij de verbranding komt uit

a)

een potje

b)

de lucht

c)

het water

d)

uitgeademde lucht

10.

Wanneer stopt een verbranding?

a)

Als er geen zuurstof is

b)

als er geen brandstof meer is

c)

als er geen zuurstof en geen brandstof meer is

d)

als er geen zuurstof of geen brandstof meer is

11.

In je lichaam vind verbranding plaats

a)

Juist, iedere stof die binnen komt verbranden we

b)

onjuist, we staan toch niet in de fik

c)

Juist, de brandstof voor ons lichaam is glucose

d)

soms maar niet al te vaak

12.

Waar halen we glucose vandaan?

a)

uit de lucht

b)

uit ons eten en drinken

c)

dat maken we zelf

13.

Door vertering worden onze voedingsmiddelen verkleint tot glucose

a)

juist

b)

onjuist

14.

Ons lichaam gebruikt de energie die vrij komt bij de verbranding voor:

a)

warm te blijven en licht te geven

b)

warm te blijven en slapen

c)

slapen en bewegen

d)

bewegen en warm te blijven

15.

Wanneer vind er verbranding plaats in je cellen?

a)

overdag

b)

s'nachts

c)

dag en nacht

d)

nooit

16.

Verbranding in het lichaam vindt plaats in:

a)

je darmen

b)

je longen

c)

je hart

d)

alle cellen van je lichaam

17.

Wat gebeurt er met je cellen als ze niet aan verbranding doen?

a)

gaan de cellen in rust

b)

gaan de cellen zelf zuurstof maken

c)

gaan de cellen dood

d)

gaan de cellen brandstof halen

18.

Als je meer beweegt verbruik je ook meer energie

a)

juist

b)

onjuist

19.

Als je meer energie nodig hebt gaat je hart ook sneller kloppen

a)

juist

b)

onjuist

20.

Wat is NIET waar als je lichamelijke inspanning verricht (doet)

a)

Je bloed gaat stroomt sneller

b)

Je ademhaling gaat sneller

c)

Je lichaams -temperatuur wordt hoger

d)

In je cellen vindt meer verbranding plaats

21.

Als er meer verbranding in je cellen plaats vindt ontstaat er ook meer koolstofdioxide

a)

juist

b)

onjuist

22.

In rust verbranden je spiercellen net zoveel brandstof als tijdens een activiteit?

a)

juist

b)

onjuist

23.

In rust heb je ........... zuurstof nodig dan tijdens een activiteit

a)

evenveel

b)

meer

c)

minder

24.

Welke 2 stoffen hebben je spieren veel nodig tijdens lichamelijke inspanning?

a)

Koolstofdioxide en glucose

b)

glucose en zuurstof

c)

zuurstof en water

d)

water en koolstofdioxige

25.

Wat is GEEN voordeel van het sneller stromen van je bloed

a)

Afvalstoffen worden sneller afgevoerd

b)

zuurstof wordt sneller aangeleverd

c)

Je krijgt het warmer

d)

Je hersenen gaan harder werken

26.

Mensen zweten om de extra warmte af te voeren.

a)

juist

b)

onjuist

27.

Het is beter om door je neus/ mond te ademen omdat: ( er kunnen meerder antwoorden goed zijn)

a)

Beter door je mond omdat de lucht dan warmer wordt

b)

beter door je mond omdat je dan minder snel ziek wordt

c)

Beter door je neus omdat de vuildeeltjes worden tegen gehouden

d)

Beter door je neus omdat de lucht dan kouder wordt

28.

Het middenrif is een spier wat de buikholte en de borstholte van elkaar scheidt

a)

juist

b)

onjuist

29.

De volgorde die de lucht naar de longen kan volgen:

a)

Neus - keel - bronchie - luchtpijp

b)

Mond - strottenhoofd - keelholte - bronchie

c)

mond keel luchtpijp bronchie

d)

neus - strottenhoofd - bronchie - luchtpijp

30.

Hoeveel bronchiën heb je?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

31.

Waar zitten de longblaasjes?

a)

gelijk aan de luchtpijp

b)

gelijk aan de bronchiën

c)

nadat de bronchiën vertakt zijn aan het einde van de buisjes

32.

Nummer 5 (dikke blauwe buis met kraakbeenringen) =

a)

bronchie

b)

slokdarm

c)

luchtpijp

d)

keel

33.

Nummer 6 (aftakkingen van de dikke blauwe buis) =

a)

longblaasje

b)

bronchie

c)

aftakking van de bronchie

d)

strottenhoofd

34.

Het neusslijmvlies maakt:

a)

vocht

b)

slijm

c)

trilhaartjes

35.

Waar zitten de neushaartjes

a)

aan het begin van de neusholte

b)

Aan de binnenkant van je neusholte

36.

De lucht die je inademt via je neus in warmer en vochtiger en bevat minder stofdeeltjes en ziekteverwekkers

a)

juist

b)

onjuist

37.

Wat is waar? Er kunnen meerdere antwoorden goed zijn.

a)

Neushaartjes en trilhaartjes zijn hetzelfde

b)

Neushaartjes zitten aan het begin van de neus trilhaartjes aan de binnenkant van de neus op de slijmvliescellen

c)

Trilhaartjes zitten aan het begin van de neus, neushaartjes aan de binnenkant van de neus op de slijmvliescellen.

d)

Trilhaartjes zitten alleen aan de binnenkant van je neus

38.

Waaraan blijven de meeste kleine stofdeeltjes en ziekteverwekkers plakken

a)

Aan je speeksel

b)

aan je trilhaartjes

c)

aan je neusharen

d)

aan je slijmvliezen

39.

Wat is de taak van de trilhaartjes van het neusslijmvlies?

a)

Het slijm vervoeren naar het begin van je neusholte

b)

Het slijm vervoeren naar je keelholte

40.

Waarvoor dient het reukzintuig ook?

a)

Om je te waarschuwen tegen gevaarlijke stoffen

b)

om te proeven

41.

Wat is de huig?

a)

Een klepje dat de neusholte dicht houdt bij het slikken

b)

een klepje dat de mondholte dicht houdt bij het slikken

c)

een klepje dat de luchtpijp dicht houdt bij het slikken

42.

Als iemand zich verslikt komt er eten:

a)

In je neus

b)

in je slokdarm

c)

in je mondholte

d)

in je luchtpijp

43.

Waarom zitten er kraakbeenringen om de luchtpijp?

a)

zodat iemand zich niet verslikt

b)

zodat iemand geen eten in zijn neus krijgt

c)

zodat de luchtpijp niet dicht kan klappen

d)

zodat de slokdarm niet dicht kan klappen