wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Werkwoordvervoegingen in de tegenwoordige tijd

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Plaats de persoonsvorm in

de TEGENWOORDIGE TIJD.

Het vuur (a)   (branden) de hele dag.

2.

Plaats de persoonsvorm in

de TEGENWOORDIGE TIJD.

Hij (a)   (vinden) een euro op straat.

3.

Plaats de persoonsvorm in

de TEGENWOORDIGE TIJD.

Ayse (a)   (beantwoorden) een vraag.

4.

Plaats de persoonsvorm in

de TEGENWOORDIGE TIJD.

(a)   (beantwoorden) jij die vraag helemaal goed?

5.

Plaats de persoonsvorm in

de TEGENWOORDIGE TIJD.

Peter (a)   (fietsen) helemaal naar huis.

6.

Plaats de persoonsvorm in

de TEGENWOORDIGE TIJD.

Dirk (a)   (worden) vast de nieuwe kampioen.

7.

Plaats de persoonsvorm in

de TEGENWOORDIGE TIJD.

(worden) (a)   jij ook zo graag gekozen om teksten voor te lezen?

8.

Plaats de persoonsvorm in

de TEGENWOORDIGE TIJD.

Wat (verbeelden) (a)   je nichtje

zich eigenlijk wel.

9.

Plaats de persoonsvorm in

de TEGENWOORDIGE TIJD.

(vinden) (a)   jij dat een goed idee?

10.

Plaats de persoonsvorm in

de TEGENWOORDIGE TIJD.

(binden) (a)   je mijn veter even vast?

11.

Plaats de persoonsvorm in

de TEGENWOORDIGE TIJD.

(branden) (a)   je zusje haar vinger aan het vuur?

12.

Plaats de persoonsvorm in

de TEGENWOORDIGE TIJD.

(verbieden) (a)   de directie

kauwgom op school?

13.

Plaats de persoonsvorm in

de TEGENWOORDIGE TIJD.

Jasper en Boy (winnen) (a)   het schaaktoernooi.

14.

Plaats de persoonsvorm in

de TEGENWOORDIGE TIJD.

(rijden) (a)   jij woensdag met de fiets

naar huis?

15.

Plaats de persoonsvorm in

de TEGENWOORDIGE TIJD.

(doen) (a)   jij mee aan de wedstrijd?

16.

Plaats de persoonsvorm in

de TEGENWOORDIGE TIJD.

(doen) (a)   je klas mee aan de wedstrijd?

17.

Plaats de persoonsvorm in

de TEGENWOORDIGE TIJD.

De stratenmaker (a)   (verbreden) de straat voor onze school.

18.

Plaats de persoonsvorm in

de TEGENWOORDIGE TIJD.

Ik (a)   (bestrijden)

het onrecht in de wereld.

19.

Plaats de persoonsvorm in

de TEGENWOORDIGE TIJD.

(storen) (a)   jij Tamar nu echt

terwijl zij hard zit te werken?

20.

Plaats de persoonsvorm in

de TEGENWOORDIGE TIJD.

Niemand (a)   (vinden) dit een leuke grap.