wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

4HA Inleiding in de biologie

Total questions: 17

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

Het organisme op de afbeelding doet aan fotosynthese, is ééncellig en bevat een celkern. Dit organisme is een..

a)

Dier

b)

Plant

c)

Bacterie

d)

Schimmel

2.

Twee uitspraken: 1. Een bacterie bevat geen organen of orgaanstelsels. 2. Een chimpansee is een prokaryoot

a)

Alleen uitspraak 1 is juist

b)

Alleen uitspraak 2 is juist

c)

Beide uitspraken zijn goed

d)

Beide uitspraken zijn fout

3.

Welke van onderstaande omschrijvingen geeft op juiste wijze weer wat fotosynthese is?

a)

Proces waarbij glucose en zuurstof wordt omgezet in water en koolstofdioxide. Dit kost energie.

b)

Proces waarbij water en koolstofdioxide wordt omgezet in glucose en zuurstof. Dit kost energie.

c)

Proces waarbij glucose en zuurstof wordt omgezet in water en koolstofdioxide. Dit levert energie op.

d)

Proces waarbij water en koolstofdioxide wordt omgezet in glucose en zuurstof. Dit levert energie op.

4.

Twee uitspraken over het ontstaan nieuwe soorten: 1: Er is sprake van twee nieuwe soorten als twee groepen organismen niet meer in staat zijn onderling voort te planten. 2: Bij het ontstaan van nieuwe soorten is het belangrijk dat een groep organismen geïsoleerd raakt van een andere groep soortgenoten.

a)

Alleen uitspraak 1 is juist

b)

Alleen uitspraak 2 is juist

c)

Beide uitspraken zijn juist

d)

Beide uitspraken zijn onjuist

5.

Uitspraak 1: Het hebben van een erfelijke ziekte is een voorbeeld van een fenotype

Uitspraak 2: Het fenotype is altijd hetzelfde als het genotype

a)

Alleen uitspraak 1 is juist

b)

Alleen uitspraak 2 is juist

c)

Beiden zijn juist

d)

Beiden zijn onjuist

6.

Twee uitspraken over het ontstaan van nieuwe soorten:

Uitspraak 1: Er is sprake van twee nieuwe soorten als twee groepen organismen niet meer in staat zijn onderling voort te planten

Uitspraak 2: Bij het ontstaan van nieuwe soorten is het belangrijk dat een groep organismen geisoleerd raakt van een andere groep soortgenoten

a)

Alleen uitspraak 1 is juist

b)

Alleen uitspraak 2 is juist

c)

Beiden zijn juist

d)

Beiden zijn onjuist

7.

Ecologie kun je bestuderen op verschillende niveaus. In welk rijtje staan ze op de juiste manier van klein naar groot?

a)

Individu - levensgemeenschap - populatie - ecosysteem

b)

Individu - populatie - ecosysteem - levensgemeenschap

c)

Individu - populatie - levensgemeenschap - ecosysteem

d)

Populatie - individu - levensgemeenschap - ecosysteem

8.

Wat is een voorbeeld van een populatie

a)

Alle konijnen op Schiermonnikoog

b)

De beplanting in een naaldbos

c)

Alle organismen in een vijver

d)

Een leeuwin met haar 2 welpen op de Savanne

9.

Biologen bestuderen eigenschappen op verschillende niveaus in de biologie. Op elk hoger organisatieniveau verschijnen nieuwe eigenschappen die (a)   eigenschappen worden genoemd.

10.

Op welk organisatieniveau onderzoek je in de biologie als je op het niveau van de foto aan het onderzoeken bent?

a)

Molecuul

b)

Cel

c)

Weefsel

d)

Orgaan

11.

Kijk naar de afbeelding. Wat wordt aangegeven met nummer 2?

a)

Celmembraan

b)

Chloroplast

c)

Ruw endoplasmatisch reticulum

d)

Mitochondrium

12.

Bekijk de afbeelding. Wat is de functie van onderdeel 4?

a)

Eiwitsynthese

b)

Transport van stoffen

c)

Regeling stofwisseling

d)

Energie vrijmaken

13.

In welke plastiden vindt de fotosynthese plaats?

a)

In de chloroplasten

b)

In de leukoplasten

c)

In de chromoplasten

d)

In de zetmeelkorrels

14.

Waar wordt de intercellulaire ruimte voor gebruikt?

a)

Voor de stofwisselingsprocessen

b)

Voor het transport van water

c)

Voor de stevigheid

d)

Voor het transport van gassen

15.

Het celmembraan bestaat uit een dubbele laag van ...

(a)  

16.

Een wetenschapper wil de invloed van aspirine op de bloeddruk bepalen. Hij beschikt over twee gelijke groepen proefpersonen. De proefpersonen van de ene groep krijgen een aspirinetabletje (opgelost in een glas water) waarna ze de oplossing moeten opdrinken. Wat moet de controlegroep toegediend krijgen?

a)

Niks

b)

Een glas water

c)

Een glas water met opgelost een vergelijkbaar tabletje zonder aspirine

d)

Een vergelijkbaar tabletje zonder aspirine

17.

Enkele gebeurtenissen:

1. De populatie bestaat voornamelijk uit bruine slakken

2. Er overleven meer bruine slakken, waardoor deze meer nakomelingen kunnen produceren 3. In de populatie komen zowel gele als bruine slakken voor

4. Slakken met een geel huisje zijn minder gecamoufleerd en worden eerder opgegeten door vogels

In welke volgorde moet je de gebeurtenissen zetten, zodat er sprake is van natuurlijke selectie?

a)

1243

b)

3412

c)

3421

d)

2134