wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H4 H1 Leefomgeving water

Total questions: 100

Worksheet time: 1hrs 24mins

Name
Class
Date
1.

Extra geul, bedoeld om de afvoercapaciteit van de rivier te vergroten.

(a)  

2.

Een gebied dat eventueel onder water kan worden gezet.

(a)  

3.

Weghalen van elementen uit het rivierbed of de uiterwaarden om de rivier meer ruimte te geven.

(a)  

4.

Programma van Rijkswaterstaat, waterschappen, gemeenten en provincies waarbij de rivieren veiliger worden.

(a)  

5.

Landen die grenzen aan de Rijn hebben afspraken gemaakt over het beheer.

(a)  

6.

De hoeveelheid rivierwater die een bepaald punt passeert, uitgedrukt in kubieke meter per seconde.

(a)  

7.

De doorsnede van een rivier vana de bron tot de monding, bestaande uit boven-, midden-, en benedenloop.

(a)  

8.

De verdeling van de hoeveelheid neerslag over een bepaalde periode.

(a)  

9.

Wat hoort er bij 4?

(a)  

10.

wat hoort er bij 7?

(a)  

11.

Wat zie je bij A?

(a)  

12.

De schommelingen in de hoeveelheid water die een rivier per jaar afvoert.

(a)  

13.

gebied waarbinnen al het regen- en smeltwater via een hoofdrivier naar zee stroomt.

(a)  

14.

Een rivier met al zijn zijrivieren.

(a)  

15.

Welk profiel van een rivier zie je op de foto?

a)

dwarsprofiel

b)

lengteprofiel

c)

rivierprofiel

16.

Het verval per kilometer.

(a)  

17.

De grens tussen twee stroomgebieden.

(a)  

18.

Welk proces treedt er op bij A?

(a)  

19.

Het bovenste gedeelte van de rivier, vanaf de bron.

(a)  

20.

Het nemen van maatregelen gericht op het reguleren van het waterpeil in een rivier dmv stuwen en sluizen.

(a)  

21.

Doorsnede van de rivier. In Nederland bestaat deze bij een bedijkte rivier uit: winterdijk, uiterwaard, zomerdijk, rivier, zomerdijk, uiterwaard en winterdijk.

(a)  

22.

De hoeveelheid tijd die water nodig heet om na een regenbui in de rivier te komen.

(a)  

23.

Door toegenomen verstedelijking neemt het oppervlak van straten en wegen toe, waardoor regenwater sneller afspoelt.

(a)  

24.

Gebied tussen de rivier en de winterdijk dat overstroomt, wanneer de rivier buiten zijn oevers treedt.

(a)  

25.

Over welk begrip gaat de afbeelding?

(a)  

26.

Het oppompen van grondwater waardoor de grondwaterstand daalt.

(a)  

27.

Water naar een bepaald gebied toe laten stromen.

(a)  

28.

De situatie van hoge vloed en lage eb.

(a)  

29.

Het kunnen inschatten of de eigen omgeving kan overstromen.

(a)  

30.

Gebied dat wordt beschermd tegen water uit de grote rivieren, de grote meren en de zee.

(a)  

31.

Het afvoeren van water uit de bodem om de grondwaterstand te laten dalen.

(a)  

32.

Voorkomen dat al het regenwater naar sloten en de rivier wordt afgevoerd, bijvoorbeeld door het aanleggen van groenvoorzieningen zodat het water in de grond kan infiltreren.

(a)  

33.

Mogelijk beeld van hoe de toekomst eruit kan zien.

(a)  

34.

Wetenschappelijk instituut dat onderzoek doet naar weer en klimaat.

(a)  

35.

Organisatie van de VN die onderzoek naar klimaatverandering evalueert.

(a)  

36.

Samenwerking van overheen en andere partijen om te zorgen voor veiligheid, voldoende en schoon water.

(a)  

37.

Het inzakken van regenwater in de bodem.

(a)  

38.

Nationaal plan met maatregelen om de waterveiligheid en zoetwatervoorziening te garanderen.

(a)  

39.

Tijdelijk opslaan van water, bijvoorbeeld in retentiegebieden of speciaal aangewezen gebieden tijdelijk onder water te zetten.

(a)  

40.

Zorgen dat water zo snel mogelijk weg kan stromen naar de zee door belemmeringen weg te nemen.

(a)  

41.

Aanpassen aan het veranderende klimaat door in te spelen op toenemende wateroverlast en watertekorten.

(a)  

42.

Accepteren dat door klimaatverandering meer risico's ontstaan op wateroverlast en watertekorten.

(a)  

43.

Nederlands overheidsorganisatie die zorgt voor het waterbeheer in een regio.

(a)  

44.

Een overkoepelende term voor bouwwerken als stuwen, sluizen, duinen, dijken en dammen.

(a)  

45.

Nederlandse overheidsorganisatie die in opdracht van het ministerie de (vaar) wegen onderhoudt.

(a)  

46.

Welke maatregel zie je in de afbeelding?

(a)  

47.

Welk begrip zie je in de afbeelding?

(a)  

48.

De totale hoeveelheid water die een rivier op een bepaald punt afvoer, noem je

a)

Het regiem

b)

Het debiet

c)

Piekafvoer

d)

Verval

49.

Een rivier bestaat uit 3 delen; bovenloop, middenloop, benedenloop. Hoe noemen we dit?

a)

Stroomstelsel

b)

Waterscheiding

c)

Lengteprofiel

d)

Stroomgebied

50.

Hoe groter het verhang hoe sneller de rivier stroomt.

a)

Juist

b)

Onjuist

51.

Hoe noemen we de dijk het dichtste bij de rivier?

a)

Zomerdijk

b)

Binnendijk

c)

Winterdijk

d)

Buitendijk

52.

In een rivierlandschap, zonder mensen, wat ligt er dan direct naast de rivier?

a)

Een dijk

b)

Oeverwallen

c)

Komgronden

d)

Stroomruggen

53.

Wat heeft geen invloed op de vertragingstijd van een rivier?

a)

Verstening

b)

Ontbossing

c)

Kribben

d)

Bebouwing

54.

Wat is geen onderdeel van het project "Ruimte voor rivieren"?

a)

Noodoverloopgebieden

b)

Dijkverzwaring

c)

Uiterwaarden uitgraven

d)

Kanaliseren

55.

Wat werd er gebouwd na de waternoodramp van 1953?

a)

De afsluitdijk

b)

De waterkering

c)

De Deltawerken

d)

Flevoland

56.

Ons integraal waterbeleid is alleen mogelijk door...?

a)

Samen werking met Duitsland

b)

Samenwerking tussen Rijkswaterstaat en waterschappen

c)

Samenwerking tussen het Deltaplan en Waterschappen

d)

Samenwerking tussen Duitland en waterschappen

57.

Het paarse stroomgebied is van de rivier de....

a)

Waal

b)

IJssel

c)

Nederrijn

d)

Maas

58.

Welk cijfer laat oorspronkelijke loop van deze rivier zien?

a)

1

b)

2

59.

Wat heeft hier plaatsgevonden?

a)

Verstening

b)

Vervlechting

c)

Kanalisatie

d)

Meander

60.

Is dit een voorbeeld van een

a)

Bovenloop

b)

Middenloop

c)

Benedenloop

61.

Is dit een voorbeeld van een

a)

Bovenloop

b)

Middenloop

c)

Benedenloop

62.

Wat laat deze grafiek zien?

a)

Regiem

b)

Debiet

c)

Regiem en debiet

d)

Piekafvoer

63.

Veel zeearmen zijn bij de uitvoering van de Deltawerken afgesloten. Geef de reden waarom de Nieuwe Waterweg en de Westerschelde niet zijn afgesloten.

a)

deze vaarwegen belangrijk zijn voor de

scheepvaart / voor de toegankelijkheid van de havens van Rotterdam en Antwerpen.

b)

deze waterwegen belangrijk zijn voor de

zoetwatervoorziening van Rotterdam en Antwerpen.

c)

De deltawerken waren een kostbare investering. Om kosten te besparen is er gekozen om niet verder te gaan met het afsluiten van de zeearmen.

64.

Het Haringvliet en het Volkerak zijn afgesloten door middel van dammen. Sinds de afsluiting stroomt er … 1 … (meer / minder) rivierwater door de Nieuwe Waterweg. Daardoor neemt de kans op verzilting van de Nieuwe Waterweg … 2 … (af / toe). Wat moet er staan bij cijfer 1 en 2?

a)

1 = minder

2 = af

b)

1 = meer

2 = af

c)

1 = minder

2 = toe

d)

1 = meer

2 = toe

65.

Letter A is.....

a)

Uiterwaard

b)

Zomerdijk

c)

Zomerbed

d)

Winterbed

66.

Letter D is....

a)

Uiterwaard

b)

Zomerdijk

c)

Zomerbed

d)

Winterbed

67.

Letter B is....

a)

Zomerdijk

b)

Winterdijk

c)

Zomerbed

d)

Winterbed

68.

Dit is een.....

a)

Dwarsprofiel

b)

Lengteprofiel

c)

Topografische kaart

69.

Deze sluis ligt naast een......

a)

Waterscheiding

b)

Uiterwaard

c)

Verhang

d)

Stuw

70.

Het hoogteverschil tussen twee punten in een rivier noem je...

a)

Verhang

b)

Verval

c)

Regiem

d)

Debiet

71.

De maximale afvoer van een rivier vindt plaats in periode met veel neerslag en / of smeltwater. De rivier heeft dan zijn....

a)

Piekafvoer

b)

Verval

c)

Verhang

d)

Vertragingstijd

72.

Wat gaat hier niet goed?

a)

De vertragingstijd is te lang

b)

De vertragingstijd is te kort

c)

De temperatuurstijging is te snel

d)

De temperatuurstijging is te kort

73.

Geef het begrip.

De rand blauwe van dit gebied noemen we..

(a)  

74.

Deze plekken in de rivier de Maas zijn belangrijk. Wat liggen er op de plekken in de rivier?

a)

Kribben

b)

Dammen

c)

Verhangen

d)

Stuwen

75.

Is hier sprake van...

a)

Verhoging

b)

Verstening van het oppervlak

c)

Kanalisatie

d)

Verdroging

76.

Bij letter X is er een aannemelijk kans op...

a)

Verzilting

b)

Binnendringend zout

c)

Verstening van het oppervalk

d)

Zeespiegelstijging

77.

De juiste verdeling van het Rijn water is...

a)

A= 1/2

B= 2/2

C= 1/2

D= 2/2

b)

A= 2/3

B= 1/3

C= 1/3

D= 2/3

c)

A= 1/3

B= 2/3

C= 2/3

D= 1/3

78.

"Nederland krijgt een onregelmatig neerslagregiem." Daarmee wordt bedoelt....

a)

De winters worden gemiddeld natter en de kans op extreme neerslaghoeveelheden neemt toe. In de zomer zal het minder dagen regenen, maar de buien worden wel heviger.

b)

De winters worden gemiddeld droger en de kans op extreme neerslaghoeveelheden neemt toe. In de zomer zal het meer dagen regenen, maar de buien worden wel milder.

c)

De winters worden gemiddeld droger en de kans op extreme neerslaghoeveelheden neemt af. In de zomer zal het minder dagen regenen, maar de buien worden wel heviger.

d)

De winters worden gemiddeld natter en de kans op extreme neerslaghoeveelheden neemt af. In de zomer zal het meer dagen regenen, maar de buien worden wel rustiger.

79.

Wat is nuttige neerslag?

a)

De hoeveelheid water die de mens kan gebruiken.

b)

Het verschil tussen neerslag en verdamping.

c)

Neerslag dat zoet water bevat.

d)

Irrigatiewater voor de landbouw.

80.

Wat wordt er onder de pijl weergegeven?

a)

Binnendijks gebied

b)

Buitendijks gebied

81.

Een trechtervormige monding van een rivier ontstaan door getijdenstromen van eb en vloed.

(a)  

82.

Nieuw land dat ontstaat door sedimentatie waar een rivier in zee uitmondt.

(a)  

83.

Het begin van de rivier: het bovenste deel dat meestal in de bergen stroomt.

(a)  

84.

Het gebied waarbinnen al het regen- en smeltwater via een hoofdrivier naar zee stroomt.

(a)  

85.

Een stroomstelsel bestaat uit een hoofdrivier en de zijrivieren die samen al het water afvoeren uit een bepaald gebied. Hoe wordt dit gebied genoemd?

a)

Waterscheiding

b)

Stroomgebied

c)

Lengteprofiel

d)

Middenloop

86.

Een rivier kan worden opgedeeld in drie onderdelen: de bovenloop, middenloop en benedenloop. Wat is een belangrijk kenmerk van de bovenloop van een rivier?

a)

De rivier stroomt langzaam en er vindt vooral sedimentatie plaats.

b)

De rivier stroomt snel en veroorzaakt veel erosie.

c)

De rivier kronkelt sterk en zoekt het laagste punt.

d)

De rivier meandert en er vindt nauwelijks transport van sediment plaats.

87.

Wat bepaalt de grens tussen twee stroomgebieden?

a)

De plek waar de rivier in zee uitmondt

b)

De plek waar de rivier een andere rivier kruist

c)

Een hoger gelegen gebied, zoals een gebergte

d)

De plek waar een rivier begint

88.

Wat wordt bedoeld met het regiem van een rivier?

a)

De manier waarop de rivier sediment transporteert

b)

De gemiddelde breedte van een rivier over het jaar heen

c)

De verschillen in waterafvoer gedurende het jaar

d)

De gemiddelde snelheid van het water in de middenloop

89.

De Maas voert bij binnenkomst in Nederland gemiddeld 500 m³ water per seconde af, terwijl de Rijn 5000 m³ per seconde afvoert. Wat zegt dit over de Rijn?

a)

De Rijn heeft een lager verval dan de Maas

b)

De Rijn heeft een groter debiet dan de Maas

c)

De Maas heeft een stabieler regiem dan de Rijn

d)

De Rijn is een regenrivier en de Maas een gemengde rivier

90.

Wat is de belangrijkste reden dat een rivier in de benedenloop gaat meanderen?

a)

De rivier bevat meer sediment dan in de bovenloop

b)

De rivier heeft minder stroomsnelheid en zoekt de weg van de minste weerstand

c)

De bodem in de benedenloop is harder dan in de bovenloop

d)

In de benedenloop vindt vooral erosie plaats

91.

Wat is het verschil tussen verval en verhang?

a)

Verval is de totale hoogteverschil van een rivier, terwijl verhang het hoogteverschil per kilometer is

b)

Verval meet de snelheid van de rivier, terwijl verhang het debiet aangeeft

c)

Verval gaat over de breedte van de rivier, terwijl verhang de diepte meet

d)

Verval en verhang betekenen hetzelfde en worden door elkaar gebruikt

92.

Waarom wordt het moeilijker om overstromingen te voorkomen in Nederland?

a)

Doordat de rivieren dieper worden, stroomt het water sneller richting de zee

b)

Doordat de zeespiegel stijgt, kan rivierwater moeilijker worden afgevoerd naar zee

c)

Doordat het debiet van rivieren daalt, is er minder risico op overstromingen

d)

Doordat er minder neerslag valt, krijgen rivieren minder water te verwerken

93.

Wat is geen oorzaak voor de toename van overstromingen?

a)

Minder infiltratie door ontbossing en verstening.

b)

Broeikaseffect: het warmer worden van het klimaat.

c)

Bodemdaling door het oppompen van grondwater.

d)

Beleid: ruimte voor de rivieren maken.

94.

Het grootste overstromingsgevaar dreigt bij .....................................en extra hoog water op zee.

a)

noordwesterstorm

b)

noordoosterstorm

c)

zuidwesterstorm

d)

zuidoosterstorm

95.

Waar of niet waar. Door ontbossing neemt de vertragingstijd toe.

a)

Waar.

b)

Niet waar.

96.

Bekijk het plaatje. Groene daken zijn een vorm van....

a)

Vasthouden

b)

Bergen

c)

Afvoeren

97.

Wat is geen voordeel van een krib?

a)

Verbeteren bevaarbaarheid

b)

Buitenbochten beschermen tegen erosie

c)

Stroomgeul blijft diep genoeg

d)

Bredere rivieren dus makkelijk bevaarbaar

98.

Noodoverloopgebieden zijn een voorbeeld van....

a)

Vasthouden

b)

Bergen

c)

Afvoeren

99.

Is hier sprake van...

a)

Verhoging

b)

Verstening van het oppervlak

c)

Kanalisatie

d)

Verdroging

100.

Deze plekken in de rivier de Maas zijn belangrijk. Wat liggen er op de plekken in de rivier?

a)

Kribben

b)

Dammen

c)

Verhangen

d)

Stuwen