wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Voeding (klas 2)

Total questions: 18

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

Welk van de volgende stoffen zijn bouwstoffen?

a)

Vitamines, koolhydraten, vetten

b)

Water, eiwitten, vetten, mineralen

c)

Water, koolhydraten, vetten

d)

Koolhydraten, vetten, vitamines, water

2.

Welk van onderstaande antwoordopties geeft alleen voedingsstoffen weer?

a)

Koolhydraten, vetten, melk, water

b)

Koolhydraten, vetten, vitamines

c)

Vetten, vitamines, vezels

d)

Koolhydraten, vetten, kaas

3.

Wat is waar over de voortplanting van bacterien en schimmels?

a)

Bacterien vermeerderen door celdeling; schimmels door sporen

b)

Bacterien en schimmels vermeerderen beide door celdeling

c)

Bacterien en schimmels vermeerderen beide door sporen

d)

Bacterien vermeerderen zich door sporen; schimmels vermeerderen door celdeling

4.

Hieronder staan twee beweringen:

I. Door voedsel te drogen kun je het langer houdbaar maken, omdat bacterien en schimmels niet kunnen leven zonder zuurstof.

II. Door voedsel vacuum te verpakken kan je het langer houdbaar maken, omdat bacterien en schimmels dan heel langzaam groeien

a)

Alleen I is waar

b)

Alleen II is waar

c)

I en II zijn beide waar

d)

I en II zijn beide niet waar

5.

Welk van de volgende stoffen zijn energierijke stoffen?

a)

Koolhydraten en vetten

b)

Koolhydraten en eiwitten

c)

Eiwitten en vetten

d)

Koolhydraten en eiwitten

6.

Deze stof hoopt zich op in de bloedvaten bij het eten van te veel vetten.

a)

Cholesterol

b)

Caffeine

c)

Taurine

d)

Fluoride

7.

Welke twee mineralen zijn nodig voor sterke botten?

a)

Calcium en fosfor

b)

Calcium en ijzer

c)

Fosfor en ijzer

d)

Forsfor en fluoride

8.

Dit mineraal is nodig voor gezonde bloedcellen

a)

Ijzer

b)

Fosfor

c)

Calcium

d)

Fluoride

9.

Van welke bouwstof heb je per dag de minste nodig?

a)

Water

b)

Eiwtten

c)

Vetten

d)

Mineralen

10.

Wat zijn de bouwstenen van eiwitten?

a)

Aminozuren

b)

Vetzuren

c)

Glucose

d)

Vitamines

11.

Welke stoffen zijn beschermende stoffen?

a)

Vitamines en mineralen

b)

Vitamines en vetten

c)

Mineralen en vetten

d)

Mineralen en water

12.

Deze vitamine is nodig voor het zien bij weinig licht.

a)

Vitamine A

b)

Vitamine C

c)

Vitamine B

d)

Vitamine D

13.

Deze vitamine wordt (ook) gemaakt onder invloed van licht.

a)

Vitamine D

b)

Vitamine A

c)

Vitamine B

d)

Vitamine C

14.

Aan welke vitamine hebben de kinderen op de foto een tekort?

a)

Vitamine A

b)

Vitamine B

c)

Vitamine C

d)

Vitamine D

15.

Deze vitamine zit veel in fruit (vooral citrusvruchten) en ook in groente.

a)

Vitamine C

b)

Vitamine A

c)

Vitamine B

d)

Vitamine D

16.

Met welk van onderstaande indicatoren toon je glucose aan?

a)

Fehlings A en B

b)

DCPIP

c)

Jodium

d)

NaOH en CuSO4

17.

DCPIP is de indicator voor

a)

Vitamine C

b)

Glucose

c)

Zetmeel

d)

Eiwit

18.

Tom doet een experiment. Hij heeft twee buisjes; één met zetmeel, één zonder zetmeel. Hij voegt de indicator toe aan beide buisjes. Er treedt een kleurverandering op. Welke indiactor heeft Tom toegevoegd? Wat zal de kleur zijn van het buisje ZONDER zetmeel?

a)

Jodium; geel

b)

Jodium; blauw

c)

DCPIP; geel

d)

DCPIP; blauw