Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Spelling wws

Total questions: 25

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Hij (a)   veel geld aan kleren. (Besteden) (TT)

2.

Zij ... naar de supermarkt. (Rijden) (TT)

(a)  

3.

Ik (a)   bang voor haaien. (zijn) (TT)

4.

Hij ... een nieuwe fiets. (Hebben)

(a)  

5.

Vul de persoonsvorm tt in.

Hij (downloaden) niet alleen, hij updadet ook altijd.

a)

downloadt

b)

download

c)

downloaded

6.

Vul de persoonsvorm tt in.

Marcel (vinden) de opdracht leuk.

a)

vinden

b)

vindt

c)

vind

7.

Vul de persoonsvorm tt in.

Ik (rijden) vandaag met de fiets naar huis.

a)

rijd

b)

rijden

c)

rijdt

8.

Vul de persoonsvorm tt in.

Hij (worden) altijd weggebracht als het regent.

a)

word

b)

wordt

c)

worden

9.

Vul de persoonsvorm tt in.

(Verzenden) je de e-mail nu naar de docent?

a)

Verzend

b)

Verzendt

c)

Verzenden

10.

Vul de persoonsvorm tt in.

Joris (bekladden) de muren met groene verf.

a)

bekladden

b)

beklad

c)

bekladt

11.

Wat is de juiste vorm van het werkwoord?

Denk erom het moet in de verleden tijd!


Bram (vangen) de bal.

a)

vangt

b)

ving

c)

vong

d)

vangde

12.

Vul de juiste vorm in. Denk erom het is verleden tijd.


Op vakantie (eten) we elke dag pasta.

(a)  

13.

Wat is de juiste vorm van het werkwoord?

Denk erom het moet in de verleden tijd!


Ik (landen) weer met beide benen op de grond.

a)

landden

b)

land

c)

landde

d)

landen

14.

Wat is de juiste vorm van het werkwoord?

Denk erom het moet in de verleden tijd!


Mijn vriend (morsen) cola over mijn shirt.

a)

morst

b)

marste

c)

morsten

d)

morste

15.

Wat is de juiste vorm van het werkwoord?

Denk erom het moet in de verleden tijd!


Nienke (roepen) dat zij de opdrachten erg moeilijk vond.

a)

roepte

b)

riep

c)

riepte

d)

riepen

16.

Vul de juiste vorm in. Denk erom het is verleden tijd.


Een Poolse tuinman (smokkelen) planten in zijn onderbroek.

(a)  

17.

Noteer het voltooid deelwoord.

In Nederland wordt vaker ........(pinnen).

a)

gepint

b)

gepind

18.

Ik was ............(raken) door die opmerking over mijn overleden hondje.

a)

geraakt

b)

gerakt

c)

geraken

d)

geraakd

19.

De docent had alle fouten .......(doorstrepen).

a)

gedoorstreept

b)

doorgestrepen

c)

doorgestreept

20.

Heb je de kratjes ..........(opstapelen)?

a)

geopstapeld

b)

opgestapeld

c)

opgestapelt

d)

geopstapelt

21.

Heb je haar een kaartje.......(sturen)?

a)

gestuurt

b)

gestuurd

22.

De stallen worden binnenkort ....... (slopen).

a)

gesloopt

b)

gesloopd

23.

Op het feest heeft hij met haar ......(dansen).

a)

gedanst

b)

gedansd

24.

Yasmine heeft zijn haar blauw ........(verven).

a)

gevervd

b)

gevervt

c)

geverfd

d)

geverft

25.

Wat hebben jullie voor de KPZ veel ......... (verkopen)

a)

verkochd

b)

verkiep

c)

verkupt

d)

verkocht