wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Ruimte

Total questions: 19

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Dampkring

a)

Satelliet

b)

Atmosfeer

c)

Heelal

d)

Zonnestelsel

2.

Brandstof

a)

Afstand die door licht in één jaar wordt afgelegd.

b)

Materiaal waaruit alles is opgebouwd.

c)

Materiaal dat voor verbranding zorgt, bijvoorbeeld benzine of gas.

d)

Wetten die altijd gelden en nooit veranderen.

3.

Telescoop

a)

Zoomlens waarmee je onderwerpen die in de verte staan dichtbij haalt.

b)

Een bolle lens waardoor de voorwerpen die men bekijkt groter lijken.

c)

Een instrument voor het bestuderen van objecten, die te klein zijn om goed met het blote oog te kunnen worden gezien.

d)

Grote verrekijker waarmee je planeten en sterren kunt bekijken.

4.

Planeten

a)

Hemellichaam met een bolvorm die in het heelal om de zon draaien.

b)

Hemellichaam dat licht en warmte geeft.

c)

Vallende ster

d)

De oneindige zwarte ruimte boven ons in de lucht.

5.

Zonnestelsel

a)

De lucht ingaan.

b)

Groep van hemellichamen met in het middelpunt een lichtgevend hemellichaam.

c)

Een object in een baan om een hemellichaam.

d)

Stukken materie die zich in een baan om de zon bewegen.

6.

Heelal

a)

Kleinere bollen en rotsblokken die rond de zon draaien.

b)

Plotselinge verandering.

c)

Aantrekkende kracht van twee voorwerpen.

d)

Ruimte waarin de aarde, andere planeten en sterren zich bevinden.

7.

Meteoriet

a)

Op aarde gevallen stuk van een meteoor.

b)

Klonten gruis en ijs die door de zwaartekracht van de zon worden aangetrokken.

c)

Iets in de ruimte, zoals de aarde, een ster, de maan, een planeet of de zon.

d)

Plotselinge verandering.

8.

Natuurwetten

a)

Materiaal waaruit alles is opgebouwd.

b)

Wetten die altijd gelden en nooit veranderen, zoals zwaartekracht,

c)

Een raket de lucht inschieten.

d)

Dampkring

9.

Materie

a)

Op de aarde gevallen stuk van een meteoor.

b)

Snelheid die een voorwerp nodig heeft om in beweging te komen.

c)

Materiaal dat voor verbranding zorgt.

d)

Materiaal waaruit alles is opgebouwd. Grondstof.

10.

Zwaartekracht

a)

Aantrekkende kracht van twee voorwerpen. Dit zorgt ervoor dat alles naar de aarde valt.

b)

Vermogen om te trekken.

c)

Vermogen om last te dragen.

d)

Een voorwerp waaraan wordt getrokken.

11.

Hemellichamen

a)

Iets in de ruimte, zoals de aarde, een ster, de maan, een planeet of de zon.

b)

Fysiek geheel van de mens.

c)

‘S nachts aan de hemel te zien.

d)

Rotsachtig brokstuk dat om de aarde heen draait.

12.

Lichtjaar

a)

Tijd tussen de zomer en de winter.

b)

Een jaar met 366 dagen in plaats van 365.

c)

Periode die begint naar de winter.

d)

Afstand die door het licht in één jaar wordt afgelegd.

13.

Planetoïden

a)

Een raket de lucht inschieten.

b)

Stuk van een hemellichaam dat in de atmosfeer terecht is gekomen.

c)

Kleinere bollen en rotsblokken die rond de zon draaien.

d)

Grote verrekijker waarmee je planeten en sterren kunt bekijken.

14.

Kometen

a)

Dampkring.

b)

Klonten gruis en ijs die door de zwaartekracht van de zon worden aangetrokken.

c)

Op de aarde gevallen stuk van een meteoor.

d)

Materiaal waaruit alles op opgebouwd.

15.

Meteoor

a)

Plotselinge verandering.

b)

Wetten die altijd gelden en nooit veranderen.

c)

Stuk van een hemellichaam dat in de atmosfeer terecht is gekomen.

d)

Materiaal dat voor verbranding zorgt.

16.

Impuls

a)

Plotselinge verandering.

b)

Snelheid die een voorwerp nodig heeft om in beweging te komen.

c)

Aantrekkingskracht die twee voorwerpen op elkaar uitoefenen.

d)

Kleinere bollen rotsblokken die rond de zon draaien.

17.

Ontsnappingssnelheid

a)

De afstand die geluidsgolven per tijdseenheid afleggen in een ruimte.

b)

Zo snel mogelijk rijden.

c)

Hoogste snelheid die op de weg is toegestaan.

d)

Snelheid die een voorwerp nodig heeft om in beweging te komen.

18.

Lanceren

a)

Een raket starten.

b)

Een raket de lucht inschieten.

c)

Een raket uit de lucht schieten.

d)

Een raket laten neerdalen.

19.

Satelliet

a)

Onbemand ruimtevaartuig dat buiten de dampkring om de aarde draait.

b)

Een ruimtevaartuig ontworpen voor reizen buiten de dampkring.

c)

Projectiel dat de ruimte ingeschoten word.

d)

Een ruimtevaartuig dat bedoeld is om voor korte of langere tijd te worden bemand.