wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H1: atoombouw en binding

Total questions: 30

Worksheet time: 35mins

Name
Class
Date
1.

Van welk element is hier het atoommodel weergegeven?

a)

Cl

b)

Ar

c)

K

d)

Na

2.

Welke groep noemt men ook wel de edelgassen

a)

1

b)

2

c)

17

d)

18

3.

Hoeveel elektronen zitten er in de buitenste schil van de elementen in groep 14?

a)

14

b)

10

c)

4

d)

8

4.

Wat is de massa (in u) van een zwavel atoom met 17 neutronen?

a)

16 u

b)

17 u

c)

32 u

d)

33 u

5.

Wat is de molecuulmassa van CH4?

a)

12,01

b)

16,042

c)

20,04

d)

21,031

6.

Een isotoop

a)

Heeft een ander atoomnummer

b)

Heeft een ander aantal elektronen

c)

Heeft een ander aantal neutronen

7.

In het atoommodel hebben de subatomaire deeltjes een specifieke plaats.

Geef de juiste locatie van de atomaire subdeeltjes aan.

a)

In de atoomkernen bevinden zich de elektronen en protonen, in de schillen de neutronen

b)

In de atoomkernen bevinden zich de neutronen en elektronen, in de schillen de protonen

c)

In de atoomkernen bevinden zich de protonen en neutronen, in de schillen de elektronen

d)

In de atoomkernen bevinden zich de elektronen, in de schillen de protonen en neutronen

8.

In een metaal wordt de elektrische stroom geleid door:

a)

elektronen

b)

ionen

c)

protonen

d)

neutronen

9.

Bij het achterhalen van de leeftijd van gevonden fossielen wordt gebruikgemaakt van koolstofdatering. Daarvoor wordt onderzocht wat de verhouding tussen de isotopen C-12 en C-14 is.

Wat is het verschil in atoombouw tussen de isotopen C-12 en C-14?

a)

In C-12 zijn twee neutronen en twee elektronen minder dan in C-14

b)

In C-12 zijn twee neutronen minder dan in C-14

c)

In C-12 zijn twee neutronen en twee elektronen meer dan in C-14

d)

In C-12 zijn 2 neutronen meer dan in C-14

e)

In C-12 zijn twee protonen en twee elektronen minder dan in C-14

10.

Atoomsoorten hebben een covalentie. Uit de structuurformule kun je de covalentie afleiden.

Geef de covalentie van de atoomsoorten in de structuurformule:

P2O5

a)

Fosfor covalentie 5;

Zuurstof covalentie 2

b)

Fosfor covalentie 2; zuurstof covalentie

c)

Fosfor covalentie 15 ; zuurstof covalentie 16

d)

Fosfor covalentie 30,97 ; zuurstof covalentie 16,00

11.

Een N2 molecuul heeft hoeveel atoombindingen ?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

5

12.

Wat voor soort binding komt voor in koper?

a)

Atoombinding

b)

Ionbinding

c)

Metaalbinding

d)

Molecuulbinding

13.
Welk type bindingen komt voor in zouten?
a)
Atoombinding
b)
Ionbinding
c)
Zoutbinding
d)
Molecuulbinding
14.
Zouten geleiden stroom
a)

Alleen wanneer ze vast zijn of opgelost in water

b)

Alleen wanneer ze vast zijn

c)
Alleen wanneer ze vloeibaar zijn of opgelost in water
15.
Welke van de onderstaande stoffen is geen moleculaire stof?
a)
CS2(g)
b)
C10H22(l)
c)
CaCO3(s)
d)
C3H7OH(l)
16.

Geef de formule van kwik(II)bromide

a)

Hg(II)Br

b)

HgBr

c)

Hg2Br

d)

HgBr2

17.
Hoeveel protonen en hoeveel elektronen bevat een calcium-ion?
a)
20 protonen en 20 elektronen
b)
20 protonen en 22 elektronen
c)
20 protonen en 18 elektronen
d)
20 protonen en 8 elektronen
18.
Hoeveel protonen en hoeveel elektronen bevat een sulfide-ion?
a)
16 protonen en 32 elektronen
b)
16 protonen en 8 elektronen
c)
16 protonen en 18 elektronen
d)
16 protonen en 14 elektronen
19.
Geef de formule van het zout kaliumchloride
a)
KCl
b)
KCl2
c)
K2Cl2
d)
K2Cl
20.

Moleculaire stoffen bestaan uit

a)

Metaalatomen

b)

Niet-metaalatomen

c)

Metaal en niet-metaal

d)

ionen

21.

De volgende afbeelding laat het atoommodel van Rutherford zien

a)
b)
c)
d)
22.

Bij een faseovergang worden de atoombindingen verbroken

a)

Waar

b)

Niet waar

23.

De juiste zoutformule voor ijzer(III)oxide is

a)

FeO

b)

Fe3O

c)

Fe2O3

d)

Fe3O2

24.

Een legering is meestal harder dan afzonderlijke metalen vanwege roosterfouten. Die ontstaan doordat

a)

er gaten ontstaan in het metaalrooster omdat er atomen missen

b)

metaalionen in lagen langs elkaar kunnen schuiven

c)

de regelmaat in het metaalrooster wordt verstoord

25.

Teken een mogelijke structuurformule van C2H6O

26.

Teken een mogelijke structuurformule van C5Cl12

27.

Teken de structuurformule van N2H4

28.

Teken het schillenmodel van Bohr voor Cl-35

29.

Teken het schillenmodel van Bohr voor het F--ion

30.

Teken het schillenmodel van Bohr van het Mg2+-ion