Font size
S
M
L
XL
WorksheetsFunction- and Signal Words H5/V6
Total questions: 161
Worksheet time: 1hrs 21mins
Name
Class
Date
1.
To account
a)
Stimuleren
b)
Om eerlijk te zijn
c)
Verhelderen
2.
To add
a)
Tenslotte, immers
b)
Weliswaar
c)
Toevoegen
3.
To address
a)
Weliswaar
b)
Wijzen op
c)
Aanspreken, toespreken
4.
To admire
a)
Weigeren
b)
En
c)
bewonderen
5.
To advocate
a)
Nu
b)
Gebruiken
c)
Pleiten voor
6.
To agree
a)
Toch
b)
In tegenstrijd daarmee
c)
Overeenkomen, overeenstemmen
7.
To analyse
a)
Suggereren
b)
Niet alleen …. Maar ook….
c)
Analyseren, ontleden
8.
To anticipate
4 lines
9.
To assume
a)
Op een keer, er was eens
b)
Voor
c)
Aannemen, veronderstellen
10.
To be in line with
a)
Samenvatten
b)
Op een keer, er was eens
c)
In overeenstemming met, in het verlengde van
11.
To call for action
a)
Tegenspreken
b)
Mits, op voorwaarde dat
c)
Vraag om maatregelen
12.
To claim
a)
Id est: Latijn voor ‘dat is’, ‘te weten’
b)
Aangezien
c)
Met klem beweren
13.
To clarify
a)
Evenals
b)
Daarentegen, als contrast
c)
Verduidelijken
14.
To comment
a)
Duidelijk maken
b)
Ofwel…... of….
c)
Opmerken
15.
To conclude
4 lines
16.
To consolidate
a)
Bijvoorbeeld
b)
Weigeren
c)
Versterken
17.
To contradict
a)
Vrezen
b)
Behalve
c)
Tegenspreken
18.
To counter the idea
a)
Ook
b)
Suggereren
c)
Het idee tegenspreken
19.
To criticise
a)
Bijvoorbeeld
b)
Toch
c)
Bekritiseren
20.
To define
a)
Totdat
b)
Kortom
c)
Omschrijven, bepalen
21.
To deflate
a)
Daarom
b)
Uiten
c)
Verminderen
22.
To demonstrate
a)
Opsommen
b)
Tonen
c)
Belichten, aantonen
23.
To describe
4 lines
24.
To discuss
a)
Op dezelfde manier
b)
Daarom
c)
Bespreken
25.
To dislike
a)
Voorbeelden/ uitleg geven
b)
Vermelden
c)
Afkeer hebben van
26.
To distinguish
a)
Pleiten voor
b)
Afzwakken
c)
Onderscheiden
27.
To doubt
a)
Aangezien
b)
Stellen
c)
Betwijfelen
28.
To elaborate
a)
Afzwakken
b)
Belichten, aantonen
c)
Uitwerken
29.
To emphasize
a)
Uitwerken
b)
Bekritiseren
c)
Benadrukken
30.
To expand on
4 lines
31.
To express
a)
Want
b)
Bewijzen
c)
Uiten
32.
To fear
a)
In tegenstrijd daarmee
b)
Noch…. noch
c)
Vrezen
33.
To fail
a)
In plaats daarvan
b)
Benadrukken
c)
Ontbreken, mislukken
34.
To favour
a)
Toch, desondanks
b)
Eerder dan, in plaats van, liever
c)
Begunstigen
35.
To give examples/an explanation
4 lines
36.
To hate
a)
Wijzen op
b)
Onderscheiden
c)
Haten
37.
To ignore
a)
Ontbreken, mislukken
b)
Daarom
c)
Negeren
38.
To illustrate
a)
Verwerpen, afwijzen
b)
Herformuleren
c)
Illustreren, een voorbeeld geven
39.
To impress
a)
Kortom
b)
Uiteindelijk
c)
Indruk maken op
40.
To indicate
a)
Voorstellen, voor het eerst ter sprake brengen
b)
Betwijfelen
c)
Aanduiden
41.
To introduce
a)
Negeren
b)
Zodra, toen eenmaal
c)
Voorstellen, voor het eerst ter sprake brengen
42.
To make clear
a)
Eerder dan, in plaats van, liever
b)
Vrezen
c)
Duidelijk maken
43.
To mention
a)
Besluiten
b)
Verzachten, veranderen
c)
Vermelden
44.
To modify
4 lines
45.
To outline
a)
Ofschoon, hoewel
b)
Tegenwoordig, vandaag de dag
c)
In grote lijnen aangeven
46.
To point out
a)
Daarom, zodoende
b)
Toevoegen
c)
Wijzen op
47.
To point to
a)
Alsof
b)
a. ten minste
c)
Wijzen naar
48.
To prepare
a)
Begunstigen
b)
Tegenspreken
c)
Voorbereiden
49.
To prevent
a)
Vraag om maatregelen
b)
Begunstigen
c)
Voorkomen
50.
To prove
a)
Met als gevolg
b)
Bepalen
c)
Bewijzen
51.
To provide
a)
Bepalen
b)
Duidelijk maken
c)
Voorzien (van)
52.
To put
a)
Dus, daarom
b)
Anticiperen, voorzien
c)
Stellen
53.
To question
a)
Zo, op die manier, samenvattend
b)
Verminderen
c)
Betwijfelen
54.
To refuse
a)
Verminderen
b)
Versterken
c)
Weigeren
55.
To refute
a)
Beschrijven
b)
Overeenkomen, overeenstemmen
c)
Tegenspreken
56.
To reject
a)
Stellen
b)
Omschrijven, bepalen
c)
Verwerpen, afwijzen
57.
To repeat
4 lines
58.
To restate
a)
Verduidelijken
b)
Daarom, zodoende
c)
Herformuleren
59.
To set out
a)
Eerste, tweede, derde
b)
Herhalen
c)
Uiteenzetten
60.
To set the scene
a)
Bewijzen
b)
Ondersteunen
c)
De situatie omschrijven
61.
To shed a different light on
a)
Onderscheiden
b)
Tenslotte, immers
c)
Een ander licht werpen op
62.
To show
a)
En
b)
Eerste, tweede, derde
c)
Tonen
63.
To sketch
a)
Ondanks
b)
Dus, daarom
c)
Schetsen, beschrijven
64.
To state
a)
Vermelden
b)
Nu, tegenwoordig, vandaag de dag
c)
Stellen
65.
To stimulate
a)
Denken
b)
Daarentegen
c)
Stimuleren
66.
To stress
a)
Uiteindelijk
b)
Want
c)
Benadrukken
67.
To suggest
a)
Aangezien het suggereert
b)
Desalniettemin
c)
Suggereren
68.
To sum up
a)
Behalve
b)
Daarom
c)
Opsommen
69.
To summarise
a)
bijvoorbeeld
b)
Of
c)
Samenvatten
70.
To support
a)
Herformuleren
b)
Bovendien
c)
Ondersteunen
71.
To think
a)
Uiten
b)
Ook
c)
Denken
72.
To tone down
a)
Desalniettemin
b)
Uitwerken
c)
Afzwakken
73.
To use
a)
Met een komma ervóór: ook
b)
Voorbereiden
c)
Gebruiken
74.
To determine
a)
Zoals
b)
Zoals
c)
Bepalen
75.
Also
a)
Het idee tegenspreken
b)
Terwijl
c)
Ook
76.
And
a)
Echter
b)
Later
c)
En
77.
As well as
a)
Later
b)
Met als gevolg
c)
Evenals
78.
Besides,
a)
Nu
b)
In grote lijnen aangeven
c)
Bovendien
79.
Both… and…
a)
Verhelderen
b)
Op dezelfde manier
c)
Zowel… als
80.
Even
a)
Één …. een andere/ tweede
b)
Evenzeer, evenzo
c)
Zelfs
81.
First, second, third
a)
Bovendien
b)
Natuurlijk
c)
Eerste, tweede, derde
82.
Furthermore
a)
Aanspreken, toespreken
b)
Stellen
c)
Bovendien
83.
In addition,
a)
Herhalen
b)
Opmerken
c)
Bovendien
84.
Indeed
a)
Daarom
b)
Zowel… als
c)
Sterker nog
85.
In fact,
a)
a. ten minste
b)
Beschrijven
c)
Sterker nog
86.
Moreover
a)
Aan de andere kant
b)
Ontbreken, mislukken
c)
Bovendien
87.
Neither…. nor…
a)
Benadrukken
b)
Ondanks
c)
Noch…. noch
88.
Not only … but also
a)
Maar
b)
Toch, desondanks
c)
Niet alleen …. Maar ook….
89.
One …. another…
a)
De situatie omschrijven
b)
bewonderen
c)
Één …. een andere/ tweede
90.
Or
a)
Omdat
b)
Vroeger
c)
Of
91.
Too
a)
Wijzen naar
b)
Nu
c)
Met een komma ervóór: ook
92.
What is more
a)
Ofwel…... of….
b)
Bovendien
c)
Bovendien
93.
After all,
a)
Daarentegen, als contrast
b)
Op dezelfde manier
c)
Tenslotte, immers
94.
As
a)
Uitweiden over, ingaan op
b)
Tenslotte
c)
Daar, omdat
95.
As a result of
a)
Verzachten, veranderen
b)
Voorzien (van)
c)
Als gevolg van
96.
Because
a)
In overeenstemming met, in het verlengde van
b)
Aan de andere kant
c)
Omdat
97.
For
a)
Bovendien
b)
Toch
c)
Want
98.
Since
a)
Als, indien
b)
Sterker nog
c)
Aangezien
99.
Since it suggests
a)
Voorkomen
b)
Weliswaar
c)
Aangezien het suggereert
100.
Admittedly
a)
Tegenspreken
b)
Toegegeven
c)
Toegegeven
101.
Although, though
a)
In het verleden
b)
Sterker nog
c)
Ofschoon, hoewel
102.
Besides
a)
Tegenwoordig, vandaag de dag
b)
Bovendien
c)
Behalve
103.
But
a)
Zelfs
b)
Aanspreken, toespreken
c)
Maar
104.
By contrast
a)
Daar, omdat
b)
Maar
c)
Daarentegen, als contrast
105.
Certainly,
a)
Opmerken
b)
Aanvankelijk
c)
Weliswaar
106.
Conversely
a)
Toch
b)
Aanduiden
c)
Daarentegen
107.
Despite
a)
Zodra, toen eenmaal
b)
Ondertussen
c)
Ondanks
108.
Either…. or…...
a)
Daarom
b)
ondanks
c)
Ofwel…... of….
109.
Even so
a)
Om eerlijk te zijn
b)
Totdat
c)
Toch, desondanks
110.
However,
a)
Gebruiken
b)
In het verleden
c)
Echter
111.
In fact,
a)
Feitelijk, eigenlijk
b)
Bijvoorbeeld
c)
Feitelijk, eigenlijk
112.
In spite of
a)
ondanks
b)
Het idee tegenspreken
c)
ondanks
113.
Instead
a)
Afkeer hebben van
b)
Vraag om maatregelen
c)
In plaats daarvan
114.
Nevertheless
a)
Ondertussen
b)
Indruk maken op
c)
Desalniettemin
115.
Now
a)
Zowel… als
b)
Als, indien
c)
Nu
116.
Of course,
a)
Voorbereiden
b)
Voorbeelden/ uitleg geven
c)
Natuurlijk
117.
On the one hand ……
a)
Daarentegen
b)
Pleiten voor
c)
Enerzijds, anderzijds
118.
Paradoxically
a)
Ondertussen
b)
Nu
c)
In tegenstrijd daarmee
119.
Rather
a)
Schetsen, beschrijven
b)
Omdat
c)
Eerder dan, in plaats van, liever
120.
Still
a)
Weliswaar
b)
Verhelderen
c)
Toch
121.
Sure,
a)
Tenslotte
b)
Samenvatten
c)
Weliswaar
122.
Then again
a)
Overeenkomen, overeenstemmen
b)
Verwerpen, afwijzen
c)
Aan de andere kant
123.
To be fair
a)
Mits, op voorwaarde dat
b)
Evenals
c)
Om eerlijk te zijn
124.
True,
a)
Voorzien (van)
b)
Bovendien
c)
Weliswaar
125.
Whereas
a)
Op dezelfde manier
b)
Één …. een andere/ tweede
c)
Terwijl
126.
(Mean) while
a)
Sterker nog
b)
Enerzijds, anderzijds
c)
Ondertussen
127.
Yet
a)
Analyseren, ontleden
b)
Bijvoorbeeld
c)
Toch
128.
If
a)
In grote lijnen aangeven
b)
Voorkomen
c)
Als, indien
129.
Provided, providing
a)
Aanduiden
b)
Betwijfelen
c)
Mits, op voorwaarde dat
130.
Before
a)
Illustreren, een voorbeeld geven
b)
Wijzen naar
c)
Voor
131.
Earlier
a)
Stellen
b)
Afkeer hebben van
c)
Vroeger
132.
Eventually
a)
Natuurlijk
b)
Bovendien
c)
Uiteindelijk
133.
Initially
a)
Omschrijven, bepalen
b)
Illustreren, een voorbeeld geven
c)
Aanvankelijk
134.
In the past
a)
Sterker nog
b)
In plaats daarvan
c)
In het verleden
135.
Later
a)
bewonderen
b)
Zelfs
c)
Later
136.
Now*
a)
Terwijl
b)
Benadrukken
c)
Nu
137.
Once
a)
Niet alleen …. Maar ook….
b)
Negeren
c)
Zodra, toen eenmaal
138.
Once upon a time
a)
Toevoegen
b)
Id est: Latijn voor ‘dat is’, ‘te weten’
c)
Op een keer, er was eens
139.
Present, present-day
a)
Anticiperen, voorzien
b)
Met een komma ervóór: ook
c)
Nu, tegenwoordig, vandaag de dag
140.
Today
a)
Evenzeer, evenzo
b)
Met klem beweren
c)
Tegenwoordig, vandaag de dag
141.
Until
a)
Of
b)
Stimuleren
c)
Totdat
142.
(mean) while*
a)
Uiteenzetten
b)
Aannemen, veronderstellen
c)
Ondertussen
143.
After all, *
a)
Weliswaar
b)
Aangezien het suggereert
c)
Tenslotte
144.
As a result,
a)
Bovendien
b)
Besluiten
c)
Daarom
145.
Consequently
a)
Voor
b)
bijvoorbeeld
c)
Met als gevolg
146.
Hence
a)
Bovendien
b)
Alsof
c)
Daarom, zodoende
147.
In short
a)
Met klem beweren
b)
Daar, omdat
c)
Kortom
148.
So
a)
Indruk maken op
b)
Haten
c)
Dus, daarom
149.
That’s why
a)
Noch…. noch
b)
Verduidelijken
c)
Daarom
150.
Therefore
a)
Betwijfelen
b)
Schetsen, beschrijven
c)
Daarom
151.
Thus
a)
Versterken
b)
Weliswaar
c)
Zo, op die manier, samenvattend
152.
As if
a)
Als gevolg van
b)
Zo, op die manier, samenvattend
c)
Alsof
153.
Equally
a)
Enerzijds, anderzijds
b)
Ondertussen
c)
Evenzeer, evenzo
154.
Likewise,
a)
Toegegeven
b)
Als gevolg van
c)
Op dezelfde manier
155.
Similarly,
a)
Benadrukken
b)
Bespreken
c)
Op dezelfde manier
156.
e.g.
a)
Betwijfelen
b)
Uiteenzetten
c)
bijvoorbeeld
157.
For example,
a)
Bespreken
b)
Opsommen
c)
Bijvoorbeeld
158.
For instance,
a)
Haten
b)
Ofschoon, hoewel
c)
Bijvoorbeeld
159.
i.e.
a)
Ondersteunen
b)
Uitweiden over, ingaan op
c)
Id est: Latijn voor ‘dat is’, ‘te weten’
160.
Such as
a)
Belichten, aantonen
b)
De situatie omschrijven
c)
Zoals
161.
At least
a)
Aanvankelijk
b)
In overeenstemming met, in het verlengde van
c)
a. ten minste
Reset
