Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

2mavo tv 2

Total questions: 59

Worksheet time: 30mins

Name
Class
Date
1.

Wat is juist? Meer dan één antwoord mogelijk!

Zo herken je het zelfstandig naamwoord:

a)

Je kunt er vaak een lidwoord voor zetten.

b)

Je kunt er vaak enkelvoud of meervoud van maken.

c)

Je kunt er vaak een verkleinwoord van maken.

d)

Je kunt het in de verleden tijd zetten.

2.

Welke van de volgende onderstreepte woorden is geen bijvoeglijk naamwoord?

a)

de krakende vloer

b)

De Volvo is groot.

c)

de onweerstaanbare brownie

d)

Die film is ontzettend mooi.

3.

Benoem vanaf hier de woordsoorten van de onderstreepte woorden.

Alles had een kleur gekregen, behalve de sneeuw.

a)

lidwoord

b)

bijwoord

c)

aanwijzend voornaamwoord

d)

zelfstandig naamwoord

4.

De aarde was bruin, het gras groen, de rozen rood en de zon was van goud.

a)

zelfstandig werkwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

voorzetsel

5.

Daarna ging de sneeuw naar het gras, maar het gras was gierig en deed alsof het niets gehoord had.

a)

Bijwoord

b)

Bijvoeglijk naamwoord

c)

Zelfstandig naamwoord

d)

Voorzetsel

6.

Toen ging de sneeuw naar de roos en smeekte. Maar de roos was erg verwaand en draaide haar hoofd af.

a)

Voorzetsel

b)

Bijwoord

c)

Aanwijzend voornaamwoord

d)

Bijvoeglijk naamwoord

7.

En het tere bloemetje aan de rand van het bos werd vanaf dat moment sneeuwklokje genoemd.

a)

Zelfstandig naamwoord

b)

Bijvoeglijk naamwoord

c)

Bijwoord

d)

Voorzetsel

8.

Voor een zelfstandig naamwoord (zn) kun je een lidwoord of een bijvoeglijk naamwoord zetten. Voorbeeldzin: De hond heeft een lange staart.'

a)

De zin klopt maar de voorbeeldzin is fout.

b)

De zin klopt en de voorbeeldzin is goed.

c)

De zin is fout maar de voorbeeldzin klopt.

d)

De zin is fout en de voorbeeldzin is fout.

9.

Wat is juist? Meer dan één antwoord mogelijk!

Zo herken je het zelfstandig naamwoord:

a)

Je kunt er vaak een lidwoord voor zetten.

b)

Je kunt er vaak enkelvoud of meervoud van maken.

c)

Je kunt er vaak een verkleinwoord van maken.

d)

Je kunt het in de verleden tijd zetten.

10.

Benoem vanaf hier de woordsoorten van de onderstreepte woorden.

Alles had een kleur gekregen, behalve de sneeuw.

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

aanwijzend voornaamwoord

d)

zelfstandig naamwoord

11.

De aarde was bruin, het gras groen, de rozen rood en de zon was van goud.

a)

werkwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

voorzetsel

12.

Tenslotte bleef voor de sneeuw geen kleur over.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

voorzetsel

d)

persoonlijk voornaamwoord

13.

Benoem het onderstreepte woordsoort in de zin.

De felblauwe raceauto rijdt als een speer.

(a)  

14.

Benoem het onderstreepte woordsoort in de zin.

De wedstrijd van Max Verstappen was spannend.

(a)  

15.

Benoem het onderstreepte woordsoort in de zin.

Vanochtend liep ik met mijn moeder naar school.

(a)  

16.

Benoem het onderstreepte woordsoort in de zin.

De honden renden tijdens de wedstrijd naar de streep.

(a)  

17.

Benoem het onderstreepte woordsoort in de zin.

Tegenwoordig is op alle dancefeesten beveiliging aanwezig.

(a)  

18.

Benoem het onderstreepte woordsoort in de zin.

Uw bestelling is vandaag verzonden en u kunt deze via track-and-trace volgen.

(a)  

19.

Volgens mij dateert die zilveren schaal uit de rococoperiode.

(a)  

20.

Benoem het onderstreepte woordsoort in de zin.

In Amsterdam gingen we 's avonds naar een voorstelling.

(a)  

21.

Benoem het onderstreepte woordsoort in de zin.

Op Bevrijdingsdag wordt het festivalterrein volledig afgesloten.

(a)  

22.

Benoem het onderstreepte woordsoort in de zin.

De gemeente zegt het nu voor de tweede keer.

(a)  

23.

Wat zijn de zelfstandige naamwoorden in:

De docent vertelt ons over de nare oorlog in Oekraïne.

a)

vertelt

b)

de, de

c)

docent, oorlog

d)

docent, oorlog, Oekraïne

24.

Wat zijn dit voor woorden:

met-van-om-tijdens

a)

voorzetsels

b)

aanwijzend voornaamwoorden

c)

vragend voornaamwoorden

d)

zelfstandige naamwoorden

25.

Een enkelvoudige zin heeft ......

a)

twee persoonsvormen

b)

een persoonsvorm

c)

drie persoonsvormen

26.

Een samengestelde zin heeft ......

a)

een persoonsvorm.

b)

meer persoonsvormen.

27.

Samengestelde zinnen maak je door...

a)

van een zin een zin te maken met een voegwoord.

b)

van twee zinnen een zin te maken met een voegwoord.

28.

Wat zijn voegwoorden?

a)

Dat zijn woorden waarmee je zinnen aan elkaar voegt.

b)

Voegwoorden zijn woorden die een zin vragend maken.

29.

Wat is het voegwoord?


Wanneer ik Femke zie, zal ik het haar vragen.

a)

wanneer

b)

zal

c)

zie

30.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Wij repareren uw fiets .... u boodschappen doet!

a)

intussen

b)

terwijl

c)

want

31.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Kampioen zullen zij niet worden, … er een wonder gebeurt.

a)

tenzij

b)

indien

c)

doordat

32.

Wat is het voegwoord?


Zodra het startschot klinkt, starten de schaatsers.

a)

klinkt

b)

starten

c)

zodra

33.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


We gaan volgende week op vakantie, ........ oma die week geopereerd wordt.

a)

tenzij

b)

omdat

c)

zodra

d)

dus

34.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Ik doe er niet aan mee, ........ ik het zaakje niet vertrouw.

a)

mits

b)

dus

c)

omdat

d)

hoewel

35.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


........ het nu mag of niet, we doen het!

a)

Dus

b)

Echter

c)

Of

d)

Zolang

36.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Ik ben voor niemand bang, ........ kom maar op!

a)

want

b)

en

c)

maar

d)

dus

37.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


We stoppen met voetballen, ........ de bal is lek.

a)

want

b)

hoewel

c)

maar

d)

indien

38.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Lees eerst de gebruiksaanwijzing …. u het apparaat in gebruik neemt.

a)

voordat

b)

als

c)

nadat

39.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


........ de voorraad strekt, kun je je spaarpunten inwisselen.

a)

Of

b)

Als

c)

Echter

d)

Zolang

40.

Er zitten twee fouten met hoofdletters in onderstaande tekst. Welke?

Vorige Zomer maakte Hein een reis door Engeland. Hij vertrok ten Westen van Manchester en kwam eind augustus aan in de hoofdstad.

a)

Zomer en Hein

b)

Manchester en augustus

c)

augustus en Westen

d)

Zomer en Westen

41.

Zijn de hoofdletters goed?

'S avonds drinkt Robert graag een kopje thee.

a)

Ja

b)

Nee

42.

Je schrijft GEEN hoofdletter bij

a)

een eigennaam

b)

bijvoeglijke naamwoorden die zijn afgeleid van aardrijkskundige namen

c)

namen van seizoenen

d)

het begin van de zin

43.

Hoofdletter?

a)

groot-brittanië

b)

krant

c)

feestdag

d)

water

44.

Hoofdletter?

a)

zingen

b)

antwoorden

c)

appel

d)

tweede wereldoorlog

45.

Hoofdletter?

a)

jongen

b)

rusland

c)

geeuwen

d)

the new york times

46.

Welke woorden moet je met een hoofdletter schrijven?

deze man komt uit mexico

a)

deze

b)

man

c)

komt

d)

uit

e)

mexico

47.

Welke woorden moet je met een hoofdletter schrijven?

maria kijkt met kerstmis the grugde

a)

maria

b)

kijkt

c)

met

d)

kertsmis

e)

the grudge

48.

Hoofdletter?

a)

polen

b)

afleiding

c)

west-vlaanderen

d)

vredestraat

49.

Welke woorden moet je met een hoofdletter schrijven?

leest mark elke dag het laatste nieuws?

a)

leest

b)

mark

c)

elke

d)

dag

e)

het laatste nieuws

50.

Welk leesteken past het best in deze zin?

"Met zijn spade gooide de eerste de steen uit de weg"

a)

?

b)

!

c)

.

51.

Welk leesteken past het best aan het eind van deze zin?

"Een van hen had een emmer, de tweede had een drilboor en de derde een spade"

a)

?

b)

!

c)

.

52.

Welk leesteken past het best in deze zin?

"Een van hen riep: “Pas op, een explosief"

a)

?

b)

!

c)

.

53.

Wat schrijf je met een hoofdletter? Meerdere antwoorden zijn juist.

a)

Windrichtingen

b)

Talen en dialecten

c)

Namen van volken

d)

(Afleidingen van) aardrijkskundige namen

54.

In welke zin staan de leestekens goed?

a)

'Als ik jou was, zou ik die rode kopen,' zei Saba.

b)

Als ik jou was, zou ik die rode kopen,' zei Saba.

55.

In welke zin worden de leestekens correct gebruikt?

a)

Oma had: een mooie, oude, houten kast.

b)

Oma had een mooie, oude, houten kast.

c)

Oma had een mooie oude houten kast.

56.

Waar moet de komma ?

a)

Ik moet nu naar,huis omdat ik huiswerk moet maken.

b)

Ik ,moet nu naar huis omdat ik huiswerk moet maken.

c)

Ik moet nu naar huis, omdat ik huiswerk moet maken.

d)

Ik moet nu naar huis omdat, ik huiswerk moet maken

57.

Waar moet de komma ?

a)

Die jongen is sterk, omdat hij elke dag in de sportschool zit.

b)

Die jongen is sterk omdat, hij elke dag in de sportscool zit.

58.

Als ik naar buiten ga doe ik mijn jas wel even aan.

Waar moet in deze zin de komma?

a)

achter als

b)

achter ga

c)

achter jas

d)

achter doe

59.

Meestal zet je voor 'en' / 'of' geen komma

a)

Waar

b)

Niet waar