wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefentoets thema 1 - identiteit (versie A)

Total questions: 15

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Wat betekent identiteit?

a)

Alle uiterlijke kenmerken van iemand.

b)

Alle innerlijke kenmerken van iemand.

c)

Alle aangeboren en aangeleerde eigenschappen van iemand.

d)

Alle zaken die iemand in de opvoeding heeft geleerd.

2.

Wat betekent persoonlijkheid?

a)

Alle culturele kenmerken van iemand.

b)

Alle innerlijke kenmerken van iemand.

c)

Alle aangeboren en aangeleerde eigenschappen van iemand.

d)

Alle zaken die iemand in de opvoeding heeft geleerd.

3.

Wat is geen voorbeeld van identiteit?

a)

Iemand heeft een tatoeage in de nek.

b)

Iemand draagt een bril.

c)

Iemand draagt oorbellen.

d)

Iemand praat vooral Italiaans.

4.

Wat is geen voorbeeld van persoonlijkheid?

a)

Iemand is heel verlegen.

b)

Iemand draagt paarse contactlenzen.

c)

Iemand heeft blauwe ogen.

d)

Iemand praat vooral Spaans.

5.

Welke uitspraak is juist?

a)

Iemands geslacht is een kenmerk van identiteit.

b)

Iemands gender is een kenmerk van identiteit.

6.

Verbind de begrippen met de juiste omschrijving.

a)

Geslacht

1.

Hoe iemand geboren wordt.

b)

Gender

2.

Of iemand zich man, vrouw of anders voelt.

c)

Heteroseksueel

3.

Iemand valt op het andere geslacht.

d)

Homoseksueel

4.

Iemand valt op hetzelfde geslacht.

7.

Wat is een norm?

a)

Een gedragsregel

b)

Een wet

c)

Een idee over wat belangrijk is.

d)

Dat iemand een normaal persoon is.

8.

Wat is een waarde?

a)

Een fatsoensregel

b)

Een wet

c)

Een idee over wat belangrijk is.

d)

Dat iemand een normaal persoon is.

9.

Wat zie je hier?

a)

Een norm

b)

Een waarde

10.

Waar strijden deze mensen voor?

a)

Een norm

b)

Een waarde

11.

Waar heeft deze tekst het meeste te maken?

a)

Een norm

b)

Een waarde

12.

Verbind de normen met de waarden die erbij horen.

a)

Stoppen voor een rood stoplicht.

1.

Veiligheid in het verkeer

b)

Opstaan voor een oudere persoon in de bus.

2.

Respect voor ouderen.

c)

Iets uit het bovenste winkelrek pakken voor een kind.

3.

Behulpzaam zijn

d)

Beleefd zijn tegen docenten en agenten.

4.

Respect voor mensen in functie.

13.

Verbind ieder begrip met de juiste omschrijving.

a)

Cisgender

1.

Iemand die zich voelt als zijn geslacht.

b)

Transgender

2.

Iemand die zich bij een ander geslacht voelt horen.

c)

Panseksueel

3.

Iemand die op persoonlijkheid verliefd wordt.

d)

Aseksueel

4.

Iemand die geen gevoelens van lust heeft.

e)

Intersekse

5.

Iemand met mannelijke en vrouwelijke geslachtskenmerken.

14.

Wat is een ander woord voor een gedragsregel?

(a)  

15.

Welk woord gebruiken we ook wel voor de uiterlijke kenmerken van iemand?

(a)