WorksheetsH4 - Lesbrief Geldzaken LWEO
Total questions: 12
Worksheet time: 8mins
Name
Class
Date
1.
De maatschappelijke geldhoeveelheid bestaat uit
a)
Al het geld in handen van het publiek
b)
Alleen het girale geld in handen van het publiek
c)
Geld dat in de bank ligt als dekkingsmiddel
d)
Alleen het chartale geld in handen van het publiek
2.
Wat is in Nederland geen geld?
a)
10 euro in je portemonnee
b)
25 euro op je ov-chipkaart
c)
30 euro op je rekening-courant
d)
50 euro op je spaarrekening
3.
Bij welk van de onderstaande gevallen is geen sprake van geldschepping?
a)
Banken lenen geld uit
b)
€100 overmaken van een spaarrekening naar een betaalrekening
c)
€100 contant storten op een betaalrekening
d)
In Nederland vreemde valuta omwisselen voor Euro´s
4.
Rekening-courant = €5000,-.Het dekkingspercentage = 20%. Hoeveel euro moet de bak in kas hebben als dekkingsmiddel?
a)
1.000 euro
b)
25.000 euro
c)
20.000 euro
d)
1.250 euro
5.
Inflatie is
a)
Een daling van de nominale waarde van geld
b)
Een daling van het algemeen prijspeil
c)
Een stijging van de nominale waarde van geld
d)
Een stijging van het algemeen prijspeil
6.
Van welke geldfunctie is hier sprake: De schade aan mijn scooter is €800
a)
ruilmiddel
b)
rekenmiddel
c)
spaarmiddel
7.
Er is op een t-shirt €17,- gegeven. Deze korting is 20%. Hoeveel kostte het t-shirt voor de korting?
a)
68 euro
b)
85 euro
c)
81,60 euro
d)
13,60 euro
8.
Welke stelling is juist?
a)
Hoger consumentenvertrouwen leidt tot hogere werkloosheid
b)
Lagere bestedingen leidt tot hogere werkloosheid
c)
Hogere bestedingen leidt tot hogere werkloosheid
d)
Lager consumentenvertrouwen leidt tot lagere werkloosheid
9.
Het liquiditeitspercentage van een bank is
a)
Het dekkingspercentage van de bank
b)
chartale middelen vd bank / girale middelen vd bank x 100%
c)
(kas+tegoedenDNB+ECB) / rekening-couranttegoeden x100%
d)
Alle antwoorden zijn juist
10.
Voorbeelden van kosteninflatie zijn
a)
Loonkosteninflatie
b)
Inflatie door de overheid (b.v. belastingen)
c)
Vergroting van de winstmarges van bedrijven
d)
alle antwoorden zijn juist
11.
Van welke factoren is de koopkracht afhankelijk?
a)
Het nominale inkomen
b)
Het gemiddelde prijsniveau
c)
Het nominale inkomen en het gemiddelde prijsniveau
d)
Het reële inkomen
12.
De waarde van het materiaal waarvan het geld is gemaakt noemen we
a)
nominale waarde
b)
intrinsieke waarde
100 %
