wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling hoofdstuk 1 economie kader 3

Total questions: 15

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.

Geef aan of het gaat om primaire of secundaire behoefte.

Geef aan of het gaat om schaarste of vrije goederen

a)

Behoeften die je leven prettiger maken

1.

Secundaire behoefte

b)

Behoeften om in leven te kunnen blijven

2.

Primaire behoefte

c)

Zonlicht

3.

Vrije goederen

d)

Kraanwater

4.

Schaarste goederen

2.

Kies de juiste stelling(en).

1. als je prioriteiten stelt, bepaal jij wat je belangrijkste behoeften vindt.

2. Meer welvaart betekent dat je beter in je behoeften kunt voorzien.

a)

Alleen 1 is juist

b)

Alleen 2 is juist

c)

Beide zijn juist

d)

Beide zijn onjuist

3.

Meryem koopt een nieuwe tablet. Normaal kost de tablet €380, maar ze kan het apparaat kopen met 20% korting.

Hoeveel moet ze nog betalen?

(a)  

4.

Van welke P is er sprake?

a)

Personeel

b)

Prijs

c)

Product

d)

Presentatie

5.

StarTours organiseert volledig verzorgde busreizen naar Parijs, Berlijn en Londen.

Wanneer? Juni en September

Vertrek: maandag

Terugkomst: vrijdag

Op welke doelgroep richt StarTours zich?

a)

Familiegroepen

b)

Jongeren

c)

Gezinnen met jonge kinderen

d)

Ouderen

6.

Van welk soort reclame is er sprake?

a)

Actiereclame

b)

Commerciële reclame

c)

Ideële reclame

d)

Merkreclame

7.

Je koopt een broek in de uitverkoop. Normaal kost de broek €79,95, maar je koopt hem voor €55.

Hoeveel procent korting heb je gekregen?

(a)  

8.

Welke stelling is juist?

1. Als je budgetteert, dan stem je jouw inkomsten en uitgaven op elkaar af?

2. Een begroting is een hulpmiddel bij het budgetteren.

a)

Alleen 1 is juist

b)

Alleen 2 is juist

c)

Beide zijn onjuist

d)

Beide zijn juist

9.

Welk soort inkomen hoort erbij?

a)

Goederen

1.

Inkomen in Natura

b)

Huur

2.

Inkomen uit bezit

c)

Kleedgeld

3.

Overdrachtsinkomen

d)

Loon

4.

Inkomen uit arbeid

10.

Van welk soort uitgave is er sprake?

a)

De uitgaven die je met een vaste regelmaat moet betalen, zoals huur of abonnementen

1.

Vaste lasten

b)

Huishoudelijke uitgaven, zoals in de supermarkt, voor persoonlijke verzorging, cadeautjes en uitgaan

2.

Dagelijkse uitgaven

c)

Uitgaven die je niet zo vaak doet, zoals voor vakantie of huishoudelijke apparaten.

3.

Incidentele uitgaven

11.

Micha krijgt per maand €65 aan kleedgeld. Bereken hoeveel dit per week is.

(a)  

12.

Dilek heeft een bijbaantje en verdient €7,35 per uur. Ze werkt 18 uur per week. Bereken hoeveel haar maandinkomen is.

(a)  

13.

Over twee jaar wil je een nieuwe mountainbike kopen. De fiets die je wilt hebben, kost €1.100. Je hebt inmiddels €350 gespaard.

Hoeveel moet je per maand reserveren?

(a)  

14.

In welke van de volgende gevallen stijgt de koopkracht?

Er zijn meerdere antwoorden juist.

a)

Je loont daal en de prijzen blijven gelijk

b)

Je loont stijgt harder dan de inflatie

c)

De prijzen blijven gelijk en je loon stijgt

d)

De prijzen stijgen harder dan je loon

15.

Teun is 15 en werkt sinds kort bij de supermarkt. Hij verdient €4,95 per uur. Als hij 16 wordt gaat hij €5,69 per uur verdienen.

Bereken met hoeveel procent zijn loon stijgt.

(a)