wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

samengestelde zinnen havo 3

Total questions: 57

Worksheet time: 46mins

Name
Class
Date
1.
Als het oudejaarsavond is, steken wij vuurwerk af.
Enkelvoudige of samengestelde zin?
a)
enkelvoudig
b)
samengesteld
2.
Mijn broertjes vinden die knallen fantastisch, maar mijn moeder heeft er een grote hekel aan.
Enkelvoudige of samengestelde zin?
a)
enkelvoudig
b)
samengesteld
3.
Ook onze hond rent tijdens die geweldige feestnacht helemaal panisch rond door het oorverdovend lawaai, de lichtflitsen en de rook.
Enkelvoudige of samengestelde zin?
a)
enkelvoudig
b)
samengesteld
4.
De parkietjes kijken echter met grote interesse naar buiten, want dan gebeurt er eindelijk eens wat.
Enkelvoudige of samengestelde zin?

a)
enkelvoudig
b)
samengesteld
5.
Mijn superkeurige, brave buurman, die niet tegen rommel kan, gaat doorgaans op 1 januari al om 9 uur 's ochtends flink aan de slag met de bladblazer.
Enkelvoudige of samengestelde zin?

a)
enkelvoudig
b)
samengesteld
6.
Na alle protesten tegen het vuurwerkverbod is een afschaffing van het vuurwerk op oudejaarsavond gelukkig nog niet helemaal zeker.
Enkelvoudige of samengestelde zin?

a)
enkelvoudig
b)
samengesteld
7.

Vergeet niet dat er in elke gemeente ook nog vuurwerkshows georganiseerd kunnen worden.


Enkelvoudige of samengestelde zin?

a)
enkelvoudig
b)
samengesteld
8.

Welke bewering is niet waar:

a)

Samengestelde zinnen hebben meer dan 1 persoonsvorm.

b)

Samengestelde zinnen hebben meer den 1 onderwerp.

c)

Samengestelde zinnen zijn zinnen waar je de vraagproef niet op kunt toepassen.

d)

Samengestelde zinnen bevatten woorden als: kastdeurtje, koelkast, hoofddeksel, Koninginnedag.

9.

Een hoofdzin is een zin:

a)

Waar onderwerp en persoonsvorm naast elkaar staan en ook niet uit elkaar komen te staan als je er zelf bijwoordelijke bepalingen aan toevoegt (zoals: niet), bijvoorbeeld: Ik sta hier goed.

b)

Het deel van de zin dat voor het voorwoord staat.

c)

Het deel van de zin dat na het voegwoord staat.

d)

De zin die iets zegt over de andere zin in de samengestelde zin.

10.

Een bijzin is:

a)

Het deel van de samengestelde zin dat na het voegwoord staat.

b)

Het belangrijkste deel van de samengestelde zin.

c)

Een deel van een samengestelde zin waarin onderwerp en persoonsvorm niet noodzakelijk naast elkaar staan. Deze zin zegt iets over de hoofdzin.

11.

Nevenschikkende voegwoorden zijn:

a)

want, maar, en, of, dus

b)

zodat, doordat, omdat, of, maar

c)

zodat, doordat, omdat, totdat, dat

12.

Voegwoorden:

a)

Woorden die twee zinnen aan elkaar voegen tot een samengestelde zin.

b)

Woorden die je kunt vervoegen zodat ze een handeling uitdrukken.

c)

Woorden die je gemakkelijk kunt weglaten uit een samengestelde zin.

d)

Woorden die geen betekenis hebben.

13.

Het oude strandhuisje bij Zoutelande is door de storm verwoest, waardoor de huurders er niet meer kunnen verblijven.

a)

hoofdzin + hoofdzin

b)

bijzin + bijzin

c)

bijzin + hoofdzin

d)

hoofdzin + bijzin

14.

Samengesteld of enkelvoudig?


Frits gelooft niet dat Marianne getrouwd is.

a)

Samengesteld

b)

Enkelvoudig

15.

Samengesteld of enkelvoudig?


Floris heeft die trein nooit aan kunnen zien komen!

a)

Samengesteld

b)

Enkelvoudig

16.

Wat is geen nevenschikkend voegwoord?

a)

Maar

b)

Want

c)

En

d)

Omdat

17.

Wanneer spreken we van onderschikking?

a)

Hoofdzin + Hoofdzin

b)

Hoofdzin + Bijzin

18.

Wat is geen kenmerk van een bijzin?

a)

Een bijzin staat altijd ná de hoofdzin.

b)

Een bijzin kan niet op zichzelf voorkomen.

c)

Onderwerp en pv staan niet naast elkaar of kunnen gescheiden worden

d)

De persoonsvorm staat achteraan.

19.

Onderschikking of nevenschikking?


Anne-Marie vertrouwt er niet op dat de postbode vandaag nog komt.

a)

Onderschikking

b)

Nevenschikking

20.

Onderschikking of nevenschikking?


Nadat Wim de buurvrouw uitgescholden had, liep hij opgelucht naar buiten.

a)

Onderschikking

b)

Nevenschikking

21.

Onderschikking of nevenschikking?


Lodewijk beslist morgen of hij de auto koopt.

a)

Onderschikkend

b)

Nevenschikkend

22.

Onderschikking of nevenschikking?


De minister kondigde de bezuiniging aan, maar dat viel niet bij iedereen in goede aarde.

a)

Onderschikking

b)

Nevenschikking

23.

Onderschikking of nevenschikking?


Marieke haalde opgelucht adem en Joost klapte in zijn handen.

a)

Onderschikking

b)

Nevenschikking

24.

Een zin kan zowel onderschikking als nevenschikking bevatten.

a)

correct

b)

niet correct

25.

"Jan vroeg zich af of hij de test opnieuw mocht maken."

'Of' is hier

a)

onderschikkend voegwoord

b)

nevenschikkend voegwoord

26.

Een enkelvoudige zin heeft ......

a)

twee persoonsvormen

b)

een persoonsvorm

c)

drie persoonsvormen

27.

Een samengestelde zin heeft ......

a)

één persoonsvorm.

b)

twee of meer persoonsvormen.

28.

Wat is het voegwoord?


Wanneer ik Femke zie, zal ik het haar vragen.

a)

wanneer

b)

zal

c)

zie

29.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Kampioen zullen zij niet worden, … er een wonder gebeurt.

a)

tenzij

b)

indien

c)

doordat

30.

Wat is het voegwoord?


Zodra het startschot klinkt, starten de schaatsers.

a)

klinkt

b)

starten

c)

zodra

31.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


We gaan volgende week op vakantie, ........ oma die week geopereerd wordt.

a)

tenzij

b)

omdat

c)

zodra

d)

dus

32.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Ik doe er niet aan mee, ........ ik het zaakje niet vertrouw.

a)

mits

b)

dus

c)

omdat

d)

hoewel

33.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Ik ben voor niemand bang, ........ kom maar op!

a)

want

b)

en

c)

maar

d)

dus

34.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


We stoppen met voetballen, ........ de bal is lek.

a)

want

b)

hoewel

c)

maar

d)

indien

35.

Ik ga naar de markt, omdat ik appels wil kopen.

Zoek de persoonsvorm(en)!

a)

ga

b)

wil kopen

c)

ga en wil

d)

kopen

36.

De parkietjes kijken graag naar buiten, want daar gebeurt tenminste iets.

Enkelvoudige of samengestelde zin?

a)

enkelvoudig

b)

samengesteld

37.

Of:

a)

is geen voegwoord

b)

kan zowel gebruikt worden als onderschikkend als nevenschikkend voegwoord

c)

verbindt alleen hoofdzinnen met elkaar

d)

verbindt alleen bijzinnen met elkaar

38.

Het oude strandhuisje bij Zoutelande is door de storm verwoest, waardoor de huurders er niet meer kunnen verblijven.

a)

hoofdzin + hoofdzin

b)

bijzin + bijzin

c)

bijzin + hoofdzin

d)

hoofdzin + bijzin

39.

Samengesteld of enkelvoudig?


Frits gelooft niet dat Marianne getrouwd is.

a)

Samengesteld

b)

Enkelvoudig

40.

Wanneer spreken we van onderschikking?

a)

Hoofdzin + Hoofdzin

b)

Hoofdzin + Bijzin

41.

Onderschikking of nevenschikking?


Lodewijk beslist morgen of hij de auto koopt.

a)

Onderschikkend

b)

Nevenschikkend

42.

Wat is het voegwoord?


Wanneer ik Femke zie, zal ik het haar vragen.

a)

wanneer

b)

zal

c)

zie

43.
Ook onze hond rent tijdens die geweldige feestnacht helemaal panisch rond door het oorverdovend lawaai, de lichtflitsen en de rook.
Enkelvoudige of samengestelde zin?
a)
enkelvoudig
b)
samengesteld
44.
Na alle protesten tegen het vuurwerkverbod is een afschaffing van het vuurwerk op oudejaarsavond gelukkig nog niet helemaal zeker.
Enkelvoudige of samengestelde zin?

a)
enkelvoudig
b)
samengesteld
45.

Welke uitspraak is waar?

a)

Nevenschikking= hoofdzin en bijzin

b)

Onderschikking= bijzin en bijzin

c)

Een bijzin kan niet als zelfstandige zin gebruikt worden

46.

Hoeveel persoonsvormen heeft de volgende zin? De leerlingen uit A3C moeten morgenochtend nakomen, omdat ze zich gisteren niet gemeld hebben bij de conciërge.

a)

3; moeten, nakomen, hebben

b)

2; moeten, hebben

c)

1; moeten

d)

4; moeten, nakomen, gemeld, hebben

47.

Waar of niet waar? Bij een hoofdzin staan onderwerp en persoonsvorm naast elkaar; er passen (bijna nooit) andere zinsdelen tussen.

a)

niet waar

b)

waar

c)

gedeeltelijk waar

48.

Is de volgende zin een enkelvoudige of samengestelde zin? De GGD heeft het contactonderzoek op onze school goed uitgevoerd.

a)

enkelvoudige zin

b)

samengestelde zin

c)

geen van beide

49.

Is de volgende zin een enkelvoudige of samengestelde zin? Studerende en werkende jongeren gaan steeds later het huis uit, omdat ze een eigen appartement of huis niet kunnen betalen.

a)

enkelvoudige zin

b)

samengestelde zin

50.

Hoeveel persoonsvormen heeft deze zin? Studerende en werkende jongeren gaan steeds later het huis uit, omdat ze een eigen appartement of huis niet kunnen betalen.

a)

1; gaan

b)

2; gaan, betalen

c)

2; gaan, kunnen

d)

3; gaan, kunnen, betalen

51.

Waar of niet waar? In een bijzin kunnen tussen onderwerp en persoonsvorm wel andere zinsdelen staan (bijvoorbeeld het woordje 'niet').

a)

waar

b)

niet waar

c)

gedeeltelijk waar

52.

Waar bestaat de volgende zin uit? Ik ga een nieuwe telefoon kopen, want mijn oude is kapot.

a)

hoofdzin

b)

bijzin + hoofdzin

c)

hoofdzin + hoofdzin

d)

hoofdzin + bijzin

53.

Geef aan of de zin enkelvoudig of samengesteld is. Volgens sommige theorieën is de oudste van het gezin de slimste, maar dat is achterhaald.

a)

enkelvoudig

b)

samengesteld

54.

Geef aan of de zin enkelvoudig of samengesteld is. Soms komt een deel van de opvoeding neer op de oudste van het gezin.

a)

enkelvoudige zin

b)

samengestelde zin

55.

Wat is een kenmerk van een bijzin?

a)

Er staat geen persoonsvorm in de bijzin.

b)

Tussen de persoonsvorm en het onderwerp kun je iets in zetten

56.

Welke soorten voegwoorden ken je?

a)

Naastschikkende en overschikkende voegwoorden

b)

Nevenschikkende en onderschikkende voegwoorden

57.

En trouwens.............

de persoonsvorm is ALTIJD een ..............

(a)