wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

ONTW P1 baby, peuter, kleuter

Total questions: 32

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

We spreken van een embryo vanaf zes weken na de bevruchting. 

a)

juist

b)

onjuist

2.

De toename van het gewicht van de foetus vindt vooral plaats tijdens de laatste weken van de zwangerschap. 

a)

juist

b)

onjuist

3.

Zo'n 15 tot 20% van alle zwangerschappen eindigt in een miskraam. 

a)

juist

b)

onjuist

4.

Een gezonde leefstijl van de aanstaande moeder verkleint levenslang de kans op overgewicht, hoge bloeddruk en hart- en vaatziekten bij het kind. 

a)

juist

b)

onjuist

5.

Bij de meeste vrouwen duurt een zwangerschap exact 40 weken. 

a)

juist

b)

onjuist

6.

De Apgar-score houdt in een beoordeling na de geboorte op drie onderdelen: huidskleur, ademhaling en hartslag.

a)

juist

b)

onjuist

7.

5 tot 10 minuten na de geboorte wordt voor de tweede keer de Apgar-score bepaald. 

a)

juist

b)

onjuist

8.

Een premature baby is een baby die geboren wordt na minder dan 37 weken zwangerschap. 

a)

juist

b)

onjuist

9.

Roken kan een oorzaak zijn van vroeggeboorte. 

a)

juist

b)

onjuist

10.

Bij een zwangerschapsduur van minder dan 32 weken en een geboortegewicht lager dan 1500 gram hebben bijna alle baby’s ontwikkelingsproblemen. 

a)

juist

b)

onjuist

11.

De eerste bewegingen van een baby zijn reflexbewegingen. Dit zijn onbewuste reacties op een bepaalde prikkel van buitenaf.

a)

juist

b)

onjuist

12.

De meeste reflexen waarmee een baby wordt geboren, verdwijnen na enige maanden. 

a)

juist

b)

onjuist

13.

De motorische en de sociale ontwikkeling voltrekken zich los van elkaar. Zij oefenen geen invloed op elkaar uit. 

a)

juist

b)

onjuist

14.

Het is zinloos om met een kind lichaamsoefeningetjes te doen waar zijn zenuwstelsel nog niet aan toe is. Het heeft bijvoorbeeld geen zin een kind van 3 maanden op zijn beentjes te zetten, zodat het eerder gaat staan.

a)

juist

b)

onjuist

15.

Er is pas sprake van een ontwikkelingsachterstand als de ontwikkeling abnormaal achterblijft. 

a)

juist

b)

onjuist

16.

De ontwikkeling van de motoriek verloopt in een vaste volgorde: eerst zal de grove motoriek zich ontwikkelen, daarna de fijne motoriek, waarbij opvalt dat het kunnen verrichten van ‘priegelwerk’ zich pas het allerlaatste ontwikkelt.

a)

juist

b)

onjuist

17.

Objectpermanentie is het besef dat mensen en voorwerpen blijven bestaan, ook als ze niet zichtbaar zijn. 

a)

juist

b)

onjuist

18.

Een peuter is een kind van 1 tot 4 jaar oud.

a)

juist

b)

onjuist

19.

In de peutertijd groeit een kind veel minder snel dan in de babytijd. 

a)

juist

b)

onjuist

20.

Bij peuters is vooral een ontwikkeling van de grove motoriek te zien. 

a)

juist

b)

onjuist

21.

De meeste kinderen zijn eraan toe zindelijk te worden als ze 2,5 jaar zijn. 

a)

juist

b)

onjuist

22.

De hersenen groeien in de baby- en peuterfase niet zo snel.

a)

juist

b)

onjuist

23.

Exploratiedrang is de intense behoefte van een peuter om de wereld te ontdekken. 

a)

juist

b)

onjuist

24.

Een peuter kan nog geen onderscheid maken tussen wat leeft en wat niet leeft. Dit noemen we animistisch denken. 

a)

juist

b)

onjuist

25.

De grote verschillen in taalvaardigheid bij peuters zijn te verklaren vanuit aanleg. 

a)

juist

b)

onjuist

26.

Het fantasiedenken kan het kind angst aanjagen

a)

juist

b)

onjuist

27.

Kleuters praten meestal nog niet goed verstaanbaar.

a)

juist

b)

onjuist

28.

Kleuters richten zich steeds meer op leeftijdsgenootjes en steeds minder op het gezin.

a)

juist

b)

onjuist

29.

Kleuters zijn nog niet zo goed in staat zich sociaal te gedragen.

a)

juist

b)

onjuist

30.

Een kind dat een negatief beeld van zichzelf heeft, zal zich ongelukkig voelen en zal vaak verlegen of onzeker zijn.

a)

juist

b)

onjuist

31.

De meeste kleuters zijn erg nieuwsgierig naar de geslachtsdelen en geslachtsverschillen.

a)

juist

b)

onjuist

32.

Een kleutermeisje gaat zich meisjesachtig gedragen en een kleuterjongen jongensachtig. Dit gedrag noemen we conformisme.

a)

juist

b)

onjuist