wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefenvragen stroomkringen

Total questions: 27

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

Wat is elektriciteit?

a)

Elektrische stroom, waardoor apparaten zoals de televisie de computer en de koelkast werken.

b)

Iets wat met tijd te maken heeft.

c)

Een stopcontact

d)

Een vriezer

2.

Een mixer zorgt voor ...

a)

warmte

b)

een beweging

c)

geluid en beeld

d)

licht

3.

Een televisie zorgt voor...

a)

warmte

b)

beweging

c)

geluid en beeld

4.

Elektriciteit wordt gemaakt in een

a)

Flat

b)

Elektriciteitscentrale

c)

Elektriciteitskastje

d)

Bunker

5.

Ik heb geen gesloten stroomkring nodig als ik een lampje wil laten branden.

a)

waar

b)

niet waar

6.

Een goede geleider is...

a)

iemand die de leider is van een groep

b)

materiaal dat stroom door kan geven zoals metaal en water

7.

a)

geleider

b)

verbruiker

c)

bron

d)

schakelaar

8.
a)

verbruiker

b)

schakelaar

c)

Geleider

d)

bron

9.

a)

verbruiker

b)

bron

c)

geleider

d)

schakelaar

10.
a)

beveiliging

b)

schakelelement

c)

verbruiker

d)

geleider

11.

a)

verbruiker

b)

geleider

c)

schakelaar

d)

bron

12.

een ronde batterij

a)

schakelaar

b)

bron

c)

geleider

d)

verbruiker

13.
bij een zonnecel wordt
a)
stralingsenergie omgezet in elektrische energie
b)
warmte energie omgezet in elektrische energie
c)
gebeurt fotosynthese
14.

Thuis gebruik je verschillende elektrische apparaten.

Wat is géén elektrisch apparaat?

a)

De TV

b)

De verlichting

c)

De Stereo-installatie

d)

De radiator van de verwarming

15.

Ook in de natuur kun je elektriciteit tegenkomen.

Welk verschijnsel heeft met elektriciteit te maken?

a)

De bliksemflitsen tijdens onweer

b)

De donderslagen tijdens onweer

c)

Het licht van de Zon

d)

De warmte van de zon

16.

Een lampje kun je laten branden door het op een batterij aan te sluiten.

Welke opmerking over de batterij is waar?

a)

Een batterij heeft maar één aansluiting. Die wordt de plus van de batterij genoemd

b)

Een batterij heeft maar één aansluiting. Die wordt de min van de batterij genoemd

c)

Een batterij heeft twee aansluitingen. Die worden de min en de plus van de batterij genoemd

17.

Stroomdraden worden vaak van koper gemaakt.

Waarom worden stroomdraden van koper gemaakt?

a)

Koper kun je moeilijk buigen

b)

Koper laat gemakkelijk stroom door

c)

Koper laat moeilijk stroom door

d)

Koper heeft een mooie kleur

18.

Om stroomdraden zit een plastic laag.

Waarom zit die laag er om heen?

a)

Omdat je anders je vingers verbrandt aan de hete stroomdraden

b)

Omdat je anders een elektrische schok krijgt

c)

Omdat elektrische stroom ook gemakkelijk door plastic kan stromen en er zodoende meer stroom kan lopen

d)

Om duidelijk aan te geven dat het een stroomdraad is.

19.

Welke eenheid hoort bij stroomsterkte?

a)

Amprère

b)

Volt

c)

Watt

d)

kiloWattuur

20.

Welke eenheid hoort bij spanning?

a)

Amprère

b)

Volt

c)

Watt

d)

kiloWattuur

21.

Welke eenheid hoort bij vermogen?

a)

Amprère

b)

Volt

c)

Watt

d)

kiloWattuur

22.

je ziet hier een schakeling. Wat wijst het pijltje aan?

a)

Batterij

b)

krokodillen tangen

c)

schakelaar

d)

gebroken draad

23.

Ik draai 1 lampje uit deze schakeling. Wat gebeurt er met de andere 6 lampen?

a)

Alle lampjes gaan uit

b)

De andere 6 lampjes gaan allemaal iets harder branden

c)

Er gebeurt helemaal niets

d)

Alleen de lampjes die voor de lamp staan die eruit is gedraaid, werken nog.

24.

Ik draai 1 lampje uit deze schakeling. Wat gebeurt er met de andere 6 lampen?

a)

Alle lampjes gaan uit

b)

De andere 6 lampjes gaan allemaal iets harder branden

c)

Er gebeurt helemaal niets

d)

Alleen de lampjes die voor de lamp staan die eruit is gedraaid, werken nog.

25.

Ik heb een schakeling met 1 lamp, die veel licht geeft.

Nu voeg ik een tweede lamp toe aan de schakeling (zoals in het plaatje rechts). Wat gebeurt er met het licht van de lampen?

a)

Allebei de lampen blijven even fel branden als in de schakeling links.

b)

Allebei de lampen branden niet.

c)

Allebei de lampen branden half zo fel als bij de schakeling links.

d)

Lamp 1 brand net zo fel als bij de linker schakeling, omdat het alle stroom verbruikt en lamp 2 staat uit.

26.

Wat zijn de voordelen van een parallel schakeling?

a)

Bij een parallel schakeling heb je meerdere stroomkringen. Als dan 1 lamp kapot gaat, blijft de rest werken.

Ook branden alle lampen die parallel staan even fel.

b)

Bij een parallel schakeling heb je slechts 1 stroomkring. Als dan 1 lamp kapot gaat, gaat de rest ook uit.

Ook branden alle lampen die parallel staan even fel.

c)

Bij een parallel schakeling heb je meerdere stroomkringen. Als dan 1 lamp kapot gaat, blijft de rest werken.

Maar alle lampen branden minder fel, omdat de stroom wordt verdeeld over verschillende paden.

d)

Bij een parallel schakeling heb je een stroomkring. Als dan 1 lamp kapot gaat, gaat de rest ook uit.

Alle lampen branden minder fel, omdat de stroom wordt verdeeld over verschillende paden

27.
Wat voor schakeling wordt in de afbeelding weergegeven?
a)
Een serieschakeling
b)
Een parallelschakeling