wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Past Simple - BK

Total questions: 25

Worksheet time: 4hrs 10mins

Name
Class
Date
1.

Zet het werkwoord tussen de haakjes in de verleden tijd (Past Simple):

I (a)   (brush) my teeth.

2.

Zet het werkwoord tussen de haakjes in de verleden tijd (Past Simple):

Tom (a)   (play) tennis with his friends.

3.

Zet het werkwoord tussen de haakjes in de verleden tijd (Past Simple):

They (a)   (study) for their exams.

4.

Zet het werkwoord tussen de haakjes in de verleden tijd (Past Simple):

Susan (a)   (talk) to me quietly.

5.

Zet het werkwoord tussen de haakjes in de verleden tijd (Past Simple):

Thomas (a)   (help) me with my homework.

6.

Zet het werkwoord tussen de haakjes in de verleden tijd (Past Simple):

Daniel (a)   (wash) his car.

7.

Zet het werkwoord tussen de haakjes in de verleden tijd (Past Simple):

The baby (a)   (cry) a lot.

8.

Zet het werkwoord tussen de haakjes in de verleden tijd (Past Simple):

The man (a)   (walk) so fast!

9.

Zet het werkwoord tussen de haakjes in de verleden tijd (Past Simple):

The mechanic (a)   (fix) the car.

10.

Zet het werkwoord tussen de haakjes in de verleden tijd (Past Simple):

The policeman (a)   (stop) the bus.

11.

Zet het werkwoord in de verleden tijd: I ...(go)... home early yesterday.

a)

go

b)

gone

c)

went

12.

Zet het werkwoord in de verleden tijd: His parents ...(buy)... a new house last year.

a)

buy

b)

bought

c)

buyed

13.

Zet het werkwoord in de verleden tijd: We ...(try)... to help him.

a)

tryed

b)

trying

c)

tried

14.

Zet het werkwoord in de verleden tijd: He ...(read)... his newspaper this morning.

a)

read

b)

reading

c)

readed

15.

Zet het werkwoord in de verleden tijd: Annie ...(make)... the test last Friday.

a)

maked

b)

made

c)

make

d)

making

16.

Welk werkwoord moet op de ... komen?

break - broke - .....

a)

break

b)

broken

c)

brook

d)

broke

17.

Welk werkwoord moet op de ... komen?

Write - ...... - written

a)

wrote

b)

write

c)

written

d)

writ

18.

Welk werkwoord moet op de ... komen?

come - ... - come

a)

come

b)

came

c)

com

d)

cam

19.

Welk werkwoord moet op de ... komen?

... - went - gone

a)

goes

b)

went

c)

gone

d)

go

20.

Welk werkwoord moet op de ... komen?

feel - felt - .....

a)

felt

b)

feels

c)

feeling

d)

feelings

21.

Welk werkwoord moet op de ... komen?

say - said - .....

a)

said

b)

saying

c)

says

d)

say

22.

Welk werkwoord moet op de ... komen?

... - won - won

a)

won

b)

win

c)

woon

d)

woning

23.

Welk werkwoord moet op de ... komen?

pay - .... - paid

a)

paying

b)

pay

c)

paid

d)

pays

24.

Welk werkwoord moet op de ... komen?

see - saw - .....

a)

seen

b)

see

c)

saw

d)

sees

25.

Welk werkwoord moet op de ... komen?

tell - told - .....

a)

tell

b)

told

c)

tells

d)

telling