Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

PAV T&C Quiz

Total questions: 71

Worksheet time: 41mins

Name
Class
Date
1.

Mijn oma heeft veel (a)   (besparen) op de dagelijkse boodschappen.

2.

Mijn nichtje (a)   (switchen, t.t.) veel van opleidingen.

3.

Wat is het meervoud (le pluriel) van

het kasteel ?

a)

de kastellen

b)

de kastelen

c)

het kasteelen

d)

de kasteelen

4.

Geef het meervoud van

het oor

a)

het ooren

b)

de oors

c)

de ooren

d)

de oren

5.

Welk woord past niet in het rijtje thuis?

a)

doelpunt

b)

racket

c)

keeper

d)

voetbalschoen

6.

Welke sport hoort bij de volgende woorden:

schieten, pijl en boog, buiten.

a)

gewichtheffen

b)

kleiduifschieten

c)

turnen

d)

boogschieten

7.

Welke sport hoort bij de volgende woorden:

pionnen, strike, zware ballen.

a)

jeu de boules

b)

hockey

c)

bowlen

d)

speerwerpen

8.

Welk woord past niet in het rijtje thuis?

a)

fiets

b)

helm

c)

watersport

d)

tour de france

9.

Welk woord past niet in het rijtje thuis?

a)

conditie

b)

cardio

c)

rennen

d)

kracht

10.

Voor welke sport heb je de meeste kracht nodig?

a)

zwemmen

b)

tennis

c)

gewichtheffen

d)

voetbal

11.

Voor welke sport heb je de meeste conditie nodig?

a)

hardlopen

b)

paardrijden

c)

polsstokspringen

d)

schermen

12.

Voor welke sport mag er geen wind zijn?

a)

golf

b)

voetball

c)

wielrennen

d)

badminton

13.

Wat is het meervoud van DOUCHE?

a)

Douchen

b)

Douches

14.

Wat is het meervoud van KOMKOMMER?

a)

komkommers

b)

komkommeren

15.
Wat is de juiste vorm van het werkwoord? 
Het water ______ heel warm.
a)
wort
b)
word
c)
wordt
16.
Wat is de juiste vorm van het werkwoord? 
We ________ de schuur in tot het weer droog werd.
a)
vluchtten
b)
vluchten
c)
vluchtte
d)
vluchte
17.
Wat is de juiste vorm van het werkwoord? 
_______ jij het ook zo warm?
a)
vint
b)
vind
c)
vindt
18.
Wat is de juiste vorm van het werkwoord? 
Wanneer heeft je zus zich ________?
a)
verlooft
b)
verloofd
c)
verloofdt
19.
Wat is de juiste vorm van het werkwoord? 
Waarom _________ je me niet toen ik je wat vroeg?
a)
antwoorde
b)
antwoordte
c)
antwoordde
20.
Wat is de juiste vorm van het werkwoord? 
Ik heb mijn kamer knalgroen ________
a)
geverft
b)
geverfd
c)
geverfdt
21.
Wat is de juiste vorm van het werkwoord? 
Wat _________ dit? 
a)
betekent
b)
betekend
c)
betekendt
22.
Wat is de juiste vorm van het werkwoord?
Heeft die film veel voor jou _________ 
a)
betekent
b)
betekend
c)
betekendt
23.
Wat is het teksttype?
a)
Jeugdboekfragment
b)
Advertentie
c)
Bijsluiter
d)
Krantenartikel
24.
Wat is het teksttype?
a)
Advertentie
b)
Recept
c)
Krantenartikel
d)
Mopje
25.
Wat is het teksttype?
a)
Jeugdboekfragment
b)
Recept
c)
Geboortekaartje
d)
Chatbericht
26.

Welk woord past bij de afbeelding?

a)

tweedehands

b)

afval

c)

vervuiling

27.

Welk woord past bij de afbeelding?

a)

vervuiling

b)

plastiek

c)

strand

28.

Welk woord past bij de afbeelding?

a)

een gezond lichaam

b)

de oceaan beschermen

c)

minder vlees eten

29.

Wanneer gebruik je een punt?

a)

Aan het eind van een vraagzin.

b)

Aan het eind van een zin.

c)

Aan het eind van een zin met extra nadruk.

d)

Tussen twee persoonsvormen

30.

Het vriest buiten. Is dit een feit of een mening?

a)

Mening

b)

Feit

31.

Welk woord moet er op de puntjes: Steven ... gisteren aan de grote tafel

a)

Zit

b)

Zitten

c)

Zat

d)

Zaten

32.

Wat is in de volgende zin de persoonsvorm:

Wij zijn bijna aan het einde van het jaar gekomen.

a)

Zijn

b)

Bijna

c)

Het

d)

Gekomen

33.

Wat is de juiste schrijfwijze?

a)

onmiddelijk

b)

onmiddellijk

c)

onmiddenlijk

34.

De persoonsvorm is altijd ...

a)

Een werkwoord

b)

Een persoon

35.

Wat is de persoonsvorm van de volgende zin:

Zij wil straks de krant lezen.

a)

Zij

b)

wil

c)

de krant

d)

lezen

36.

Wat is de persoonsvorm van de volgende zin:

De stichting verhoogde de huur met vier procent.

a)

De stichting

b)

verhoogde

c)

de huur

d)

vier procent

37.

Wat is de persoonsvorm van de volgende zin:

Maartje gaat met Ine boodschappen doen.

a)

Maartje

b)

gaat

c)

Ine

d)

boodschappen

38.

Wat is het onderwerp van de volgende zin:

Wim koopt vanmiddag een boek.

a)

Wim

b)

koopt

c)

een boek

d)

vanmiddag

39.

De persoonsvorm is ALTIJD een ...........

a)

Werkwoord

b)

Vorm van ik

c)

Vorm van mij

d)

Probleem

40.

Wat betekent het woord 'overheid'?

a)

Regering van een land

b)

Binnen bepaalde grenzen

c)

Hoogstens

d)

Afgesproken en opgeschreven

41.

Wat betekent het woord 'maximaal'?

a)

Precies

b)

Exact

c)

Hoogstens

d)

Regering van een land

42.
TT: Het water wor... heel heet.
a)
t
b)
d
c)
dt
43.
VT: Oom jan stofzuig... het tapijt
a)
d
b)
de
c)
dde
44.
TT: Dat vliegtuig lan.... diep in de nacht.
a)
t
b)
d
c)
dt
45.

Ik (a)   één uur in het bos gewandeld.

46.

We (a)   naar zee geweest.

47.

De directeur (a)   te laat gekomen.

48.

Steven (a)   een computer gehad.

49.

Karl (a)   naar Zwitserland gegaan.

50.

Ze (a)   in België gebleven.

51.

Waarom (a)   je niet gekomen?

52.

(a)   jullie mijn hond gezien?

53.

Ik .... met mijn zus gebeld

a)

heb

b)

ben

54.

... er iets gebeurd?

a)

Is

b)

Heb

55.

Hij ... kippensoep gemaakt

a)

heeft

b)

is

56.

Wat betekent het woord 'generatie'?

a)

Een rang in het leger

b)

Een machine om elektriciteit te genereren

c)

Groep van ongeveer gelijktijdig geboren mensen

d)

Een kledingstuk van een generaal in het leger

57.

Wat betekent de afkorting i.p.v?

a)

In plaats van

b)

Interne personeels vergadering

c)

Ik plak vast

d)

In plekke van

58.

Herschrijf het woord dat een hoofdletter moet krijgen.

In reims kun je de heerlijkste champagne proeven.

(a)  

59.

Herschrijf het woord dat een hoofdletter moet krijgen.

In november zetten we al een kerstboom in het salon klaar om kerstmis te vieren.

(a)  

60.

Herschrijf het woord dat een hoofdletter moet krijgen.

Ik kan het west-vlaamse dialect moeilijk verstaan.

(a)  

61.
Ik ... mijn familie elke week.
a)
bezoek
b)
bezoekt
62.
Vul het werkwoord 'beantwoorden' in op de puntjes. (t.t.)
De meester ... de vraag.
a)
beantwoort
b)
beantwoorde
c)
beantwoordt
d)
beantwoord
63.
Vul het werkwoord 'tekenen' in op de puntjes. (voltooid deelwoord)
Annemarie heeft een mooie draak ...
a)
getekend
b)
getekent
c)
tekende
d)
getekendt
64.
Vul het werkwoord 'beantwoorden' in op de puntjes. (voltooid deelwoord)
Is je vraag nu ...?
a)
beantwoort
b)
beantwoord
c)
beantwoordt
65.

Jan _______ heel boos.

a)

werd

b)

werde

c)

wordde

66.

Vul de correct vorm in.

(zoeken) Gisteren _______ ik de hele dag naar mijn horloge.

a)

zoekte

b)

zoekde

c)

zocht

d)

zogt

67.

Hij kreeg/krijgde/krijgt vorige week een katje.

a)

kreeg

b)

krijgde

c)

krijgt

68.

Wat is het werkwoord ?

Ik eet graag appels.

a)

Ik

b)

eet

c)

graag

d)

appels

69.
De trouwstoet (begeven t.t.) zich naar het stadhuis.
a)
begaf
b)
begeeft
c)
begeven
d)
begeef
70.
Nu (ervaren t.t.) hij wie zijn vrienden zijn.
a)
Ervaart
b)
Ervoer
c)
Ervaarde
d)
Ervaard
71.
De vijand (heroveren t.t.) de platgebrande stad.
a)
heroveren
b)
heroverde
c)
heroverd
d)
herovert