wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Remidial Bahasa Belanda I

Total questions: 25

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

Tentukan perfektumnya!

Ik bedoel het zo.

a)

heb bedoeld

b)

heb bedoelt

c)

ben bedoelen

d)

ben bedoeld

2.

Tentukan perfektumnya!

Jullie stappen in de bus.

a)

hebben gestappen

b)

zijn gestapt

c)

hebben gestapt

d)

hebben gestapd

3.

Tentukan perfektumnya!

Ronald Koeman voetbalt bij FC Groningen. 

a)

hebt gevoetbalt

b)

is gevoetbalt

c)

heeft gevoetbalt

d)

heeft gevoetbald

4.

Tentukan perfektumnya!

We luisteren de hele middag naar muziek. 

a)

hebben geluisteren

b)

hebben geluisterd

c)

zijn geluisterd

d)

hebben geluisteerd

5.

Tentukan perfektumnya!

Op zaterdag studeert hij tot tien uur. 

a)

hebt studeren

b)

heeft gestudert

c)

heeft gestudeert

d)

heeft gestudeerd

6.

Tentukan perfektumnya!

We lopen graag naar de bergen.

a)

hebben geliepen

b)

zijn gelopen

c)

hebben gelopen

d)

zijn geloopt

7.

Tentukan perfektumnya!

Sarah leert goed Nederlands.

a)

heeft geleerd

b)

heeft geleert

c)

hebt geleerd

d)

hebt geleren

8.

Tentukan perfektumnya!

Eric komt uit Frankrijk.

a)

heeft gekwamen

b)

heeft gekomen

c)

is gekomen

d)

heeft gekoomd

9.

Tentukan perfektumnya!

U vindt uw studie moeilijk, maar ook erg interessant.

a)

hebt gevonden

b)

hebt vonden

c)

heeft gevonden

d)

bent gevonden

10.

Tentukan perfektumnya!

Ik spreek goed Frans

a)

heb gespraken

b)

heb gesproken

c)

heb gespraak

d)

heb gespreekt

11.

Tentukan perfektumnya!

Denise spelt haar naam.

a)

hebt gespelled

b)

heeft gespelen

c)

heeft gespeld

d)

heeft gespelt

12.

Tentukan perfektumnya!

Wij wachten lang op het eten.

a)

hebben gewachten

b)

zijn gewacht

c)

zijn gewachten

d)

hebben gewacht

13.

Tentukan perfektumnya!

Zij luisteren de hele middag naar muziek.

a)

hebben geluistert

b)

hebben geluisteerd

c)

hebben geluisterd

d)

hebben luisterd

14.

Tentukan perfektumnya!

Jullie leggen de sleutels op de kast.

a)

zijn gelegd

b)

hebben gelegd

c)

hebben gelegen

d)

hebben geloogd

15.

Tentukan perfektumnya!

Je haalt postzegels.

a)

hebt gehaald

b)

heeft gehaald

c)

hebt gehaalt

d)

hebt gehalen

16.

Pilih bentuk adjektif yang sesuai!

Dat is een (duur) cursus. Hij kost 1.000 euro.

a)

dure

b)

duur

17.

Pilih bentuk adjektif yang sesuai!

Sarah heeft een (nieuw) fiets gekocht, want haar oude was gestolen.

a)

nieuw

b)

nieuwe

18.

Pilih bentuk adjektif yang sesuai!

Nederland heeft een (dicht) bevolking. Er wonen veel mensen per vierkante kilometer.

a)

dicht

b)

dichte

19.

Pilih bentuk adjektif yang sesuai!

Het weer in Nederland is vaak (slecht). Het regent veel en het is koud.

a)

slechtst

b)

slecht

20.

Pilih preposisi yang sesuai!

Gisteren, gingen mijn moeder en ik ____ de supermarkt.

a)

naar

b)

met

c)

in

21.

Pilih preposisi yang sesuai!

Ik heb met mijn oma ____ haar verleden gepraat.

a)

over

b)

bij

c)

op

22.

Pilih preposisi yang tepat!

Ryan Reynolds komt ____ Canada

a)

aan

b)

op

c)

uit

23.

Pilih preposisi yang sesuai!

Ik bel mijn ouders ____

a)

over

b)

naar

c)

op

24.

Pilih preposisi yang sesuai!

Hij geeft cadeaus ____ haar.

a)

aan

b)

naar

c)

met

25.

Pilih preposisi yang tepat!

Ik zit mijn boek ____ de tas.

a)

in

b)

tussen

c)

voor