wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

signaalwoorden nederlands

Total questions: 90

Worksheet time: 45mins

Name
Class
Date
1.

daarvoor

a)

doel-middel verband

b)

opsommend verband

c)

chronologisch verband

d)

samenvattend verband

2.

bovendien

a)

chronologisch verband

b)

tegenstellend verband

c)

opsommend verband

d)

oorzakelijk (oorzaak-gevolg)

3.

verder

a)

toegevend verband

b)

opsommend verband

c)

chronologisch verband

d)

tegenstellend verband

4.

toch

a)

doel-middel verband

b)

vergelijkend verband

c)

redengevend (argument) verband

d)

tegenstellend verband

5.

nochtans

a)

tegenstellend verband

b)

toelichten (voorbeeld)

c)

samenvattend verband

d)

concluderend verband

6.

toen

a)

oorzakelijk (oorzaak-gevolg)

b)

opsommend verband

c)

chronologisch verband

d)

doel-middel verband

7.

doordat

a)

voorwaardelijk verband

b)

toegevend verband

c)

oorzakelijk (oorzaak-gevolg)

d)

toelichtend (voorbeeld) verband

8.

ik kom tot de slotsom dat

a)

redengevend

b)

concluderend verband

c)

tegenstellend verband

d)

toegevend verband

9.

daarna

a)

chronologisch verband

b)

opsommend verband

c)

doel-middel verband

d)

samenvattend verband

10.

bijvoorbeeld

a)

toegevend verband

b)

toelichtend (voorbeeld) verband

c)

voorwaardelijk verband

d)

vergelijkend verband

11.

ook

a)

samenvattend verband

b)

doel-middel verband

c)

geen verband

d)

opsommend verband

12.

tevens

a)

toegevend verband

b)

oorzakelijk (oorzaak-gevolg) verband

c)

opsommend verband

d)

doel middel verband

13.

daarnaast

a)

samenvattend verband

b)

vergelijkend verband

c)

opsommend verband

d)

doel-middel verband

14.

vervolgens

a)

opsommend verband

b)

doel-middel verband

c)

samenvattend verband

d)

chronologisch verband

15.

om te beginnen

a)

vergelijkend verband

b)

toelichtend (voorbeeld)

c)

toegevend verband

d)

opsommend verband

16.

ten eerste, ten tweede, ten derde

a)

toegevend verband

b)

tegenstellend verband

c)

opsommend verband

d)

redengevend (argumenten) verband

17.

ten slotte

a)

oorzakelijk (oorzaak-gevolg)

b)

opsommend verband

c)

doel-middel verband

d)

samenvattend verband

18.

maar

a)

chronologisch verband

b)

tegenstellend verband

c)

vergelijkend verband

d)

opsommend verband

19.

echter

a)

tegenstellend verband

b)

vergelijkend verband

c)

tegenstellend verband

d)

concluderend verband

20.

niettemin

a)

doel-middel verband

b)

chronologisch verband

c)

opsommend verband

d)

tegenstellend verband

21.

daar staat tegenover

a)

toegevend verband

b)

voorwaardelijk verband

c)

tegenstellend verband

d)

samenvattend verband

22.

desondanks

a)

voorwaardelijk verband

b)

vergelijkend verband

c)

oorzakelijk (oorzaak-gevolg) verband

d)

tegenstellend verband

23.

evenwel

a)

tegenstellend verband

b)

chronologisch verband

c)

oorzakelijk (oorzaak-gevolg) verband

d)

concluderend verband

24.

daarentegen

a)

doel-middel verband

b)

tegenstellend verband

c)

opsommend verband

d)

concluderend verband

25.

ondanks dat

a)

voorwaardelijk verband

b)

toelichtend (voorbeeld)

c)

tegenstellend verband

d)

vergelijkend verband

26.

aan de ene kant ... aan de andere kant (enerzijds-anderzijds)

a)

toegevend verband

b)

samenvattend verband

c)

opsommend verband

d)

tegenstellend verband

27.

eerst

a)

doel-middel verband

b)

chronologisch verband

c)

doel-middel verband

d)

toelichtend (voorbeeld) verband

28.

dan

a)

chronologisch verband

b)

opsommend verband

c)

tegenstellend verband

d)

doel-middel verband

29.

uiteindelijk

a)

samenvattend verband

b)

concluderend verband

c)

chronologisch verband

d)

voorwaardelijk verband

30.

eens

a)

oorzakelijk (oorzaak-gevolg)

b)

toelichtend (voorbeeld) verband

c)

redengevend (argument) verband

d)

chronologisch verband

31.

vroeger

a)

chronologisch verband

b)

tegenstellend verband

c)

doel-middel verband

d)

samenvattend verband

32.

nu

a)

samenvattend verband

b)

toegevend verband

c)

chronologisch verband

d)

redengevend (argument) verband

33.

later

a)

toelichtend (voorbeeld) verband

b)

oorzakelijk (oorzaak-gevolg) verband

c)

samenvattend verband

d)

chronologisch verband

34.

voordat

a)

chronologisch verband

b)

voorwaardelijk verband

c)

redengevend (argument) verband

d)

toegevend verband

35.

nadat

a)

toegevend verband

b)

samenvattend verband

c)

chronologisch verband

d)

toelichtend verband

36.

vervolgens

a)

redengevend (argument) verband

b)

doel-middel verband

c)

opsommend verband

d)

chronologisch verband

37.

daardoor

a)

redengevend (argument) verband

b)

doel-middel verband

c)

vergelijkend verband

d)

oorzakelijk (oorzaak-gevolg) verband

38.

als gevolg van

a)

tegenstellend verband

b)

oorzakelijk (oorzaak-gevolg)

verband

c)

toelichtend (voorbeeld) verband

d)

doel-middel verband

39.

het gevolg is

a)

oorzakelijk (oorzaak-gevolg) verband

b)

regengevend (argument) verband

c)

tegenstellend verband

d)

concluderend verband

40.

het komt door

a)

voorwaardelijk verband

b)

toegevend verband

c)

oorzakelijk (oorzaak-gevolg) verband

d)

redengevend (argument) verband

41.

waardoor

a)

samenvattend verband

b)

tegenstellend verband

c)

oorzakelijk (oorzaak-gevolg) verband

d)

voorwaardelijk verband

42.

zodat

a)

tegenstellend verband

b)

oorzakelijk (oorzaak-gevolg) verband

c)

voorwaardelijk verband

d)

opsommend verband

43.

zo

a)

samenvattend verband

b)

toelichtend (voorbeeld) verband

c)

doel-middel verband

d)

voorwaardelijk verband

44.

zoals

a)

doel-middel verband

b)

samenvattend verband

c)

voorwaardelijk verband

d)

toelichtend (voorbeeld)

45.

neem nou

a)

toelichtend (voorbeeld)

b)

tegenstellend verband

c)

chronologisch verband

d)

samenvattend verband

46.

: (dubbele punt)

a)

doel-middel verband

b)

tegenstellend verband

c)

concluderend verband

d)

toelichtend (voorbeeld)

47.

als

a)

tegenstellend verband

b)

voorwaardelijk verband

c)

opsommend verband

d)

chronologisch verband

48.

indien

a)

voorwaardelijk verband

b)

vergelijkend verband

c)

toegevend verband

d)

concluderend verband

49.

waneer

a)

vergelijkend verband

b)

toegevend verband

c)

voorwaardelijk verband

d)

oorzakelijk (oorzaak-gevolg)

50.

in het geval dat

a)

opsommend verband

b)

vergelijkend verband

c)

oorzakelijk (oorzaak-gevolg) verband

d)

voorwaardelijk verband

51.

tenzij

a)

concluderend verband

b)

voorwaardelijk verband

c)

tegenstellend verband

d)

toegevend verband

52.

mits

a)

chronologisch verband

b)

concluderend verband

c)

toelichtend (voorbeeld) verband

d)

voorwaardelijk verband

53.

zoals

a)

vergelijkend verband

b)

concluderend verband

c)

tegenstellend verband

d)

opsommend verband

54.

net (zo)-als

a)

redengevend (argument) verband

b)

opsommend verband

c)

vergelijkend verband

d)

concluderend verband

55.

evenals

a)

vergelijkend verband

b)

tegenstellend verband

c)

voorwaardelijk verband

d)

samenvattend verband

56.

(meer/beter)-dan

a)

opsommend verband

b)

toelichtend (voorbeeld) verband

c)

tegenstellend verband

d)

vergelijkend verband

57.

daarom

a)

redengevend (argument) verband

b)

toegevend verband

c)

samenvattend verband

d)

concluderend verband

58.

omdat

a)

voorwaardelijk

b)

chronologisch

c)

opsommend

d)

redengevend (argument) verband

59.

derhalve

a)

toegevend verband

b)

redengevend (argument) verband

c)

concluderend verband

d)

tegenstellend verband

60.

dus

a)

oorzakelijk (oorzaak-gevolg) verband

b)

doel-middel verband

c)

opsommend verband

d)

redengevend (argument) verband

61.

want

a)

toelichtend (voorbeeld) verbanf

b)

tegenstellend verband

c)

redengevend (argument) verband

d)

doel-middel verband

62.

immers

a)

redengevend (argument) verband

b)

toelichtend (voorbeeld) verband

c)

samenvattend verband

d)

vergelijkend verband

63.

dat blijkt uit

a)

voorwaardelijk

b)

toelichtend (voorbeeld) verband

c)

redengevend (argument) verband

d)

concluderend

64.

namelijk

a)

opsommend verband

b)

toelichtend (voorbeeld) verband

c)

voorwaardelijk verband

d)

redengevend (argument) verband

65.

aangezien

a)

redengevend (argument) verband

b)

chronologisch verband

c)

oorzakelijk (oorzaak-gevolg) verband

d)

toelichtend (voorbeeld) verband

66.

de reden hiervoor is

a)

toegevend verband

b)

toelichtend (voorbeeld) verband

c)

redengevend (argument) verband

d)

chronologisch verband

67.

: (dubbele punt)

a)

toegevend verband

b)

redengevend (argument) verband

c)

toelichtend (voorbeeld) verband

d)

concluderend verband

68.

om te

a)

doel-middel verband

b)

toelichtend (voorbeeld) verbanf

c)

opsommend verband

d)

chronologisch verband

69.

met de bedoeling

a)

toegevend verband

b)

doel-middel verband

c)

toelichtend (voorbeeld) verband

d)

oorzakelijk (oorzaak-gevolg) verband

70.

opdat

a)

toelichtend (voorbeeld) verband

b)

chronologisch verband

c)

doel-middel verband

d)

opsommend verband

71.

zadat

a)

toelichtend verband

b)

toegevend verband

c)

opsommend verband

d)

doel-middel verband

72.

waarvoor

a)

toelichtend (voorbeeld) verband

b)

doel-middel verband

c)

oorzakelijk (oorzaak-gevolg) verband

d)

toegevend verband

73.

voor

a)

toelichtend (voorbeeld) verband

b)

doel-middel verband

c)

toegevend veband

d)

oorzakelijk (oorzaak-gevolg) verband

74.

door-te

a)

toelichtend (voorbeeld) verbanf

b)

chronologisch verband

c)

doel-middel verband

d)

concluderend verband

75.

ook al

a)

oorzakelijk (oorzaak-gevolg) verband

b)

toelichtend (voorbeeld) verband

c)

samenvattend verband

d)

toegevend verband

76.

zij het (dat)

a)

toegevend verband

b)

oorzakelijk (voorbeeld) verband

c)

tegenstellend verband

d)

redengevend (argument) verband

77.

weliswaar

a)

oorzakelijk (oorzaak-gevolg) verband

b)

toelichtend verband

c)

doel-middel verband

d)

toegevend verband

78.

hoewel

a)

vergelijkend verband

b)

oorzakelijk (oorzaak-gevolg) verband

c)

toegevend verband

d)

samenvattend verband

79.

ofschoon

a)

opsommend verband

b)

chronologisch verband

c)

oorzakelijk (oorzaak-gevolg) verband

d)

toegevend verband

80.

kortom

a)

oorzakelijk (oorzaak-gevolg) verband

b)

toelichtend (voorbeeld) verband

c)

samenvattend verband

d)

concluderend verband

81.

samengevat

a)

samenvatting verband

b)

oorzakelijk (oorzaak-gevolg) verband

c)

toelichtend (voorbeeld) verband

d)

concluderend verband

82.

met andere woorden

a)

toegevend verband

b)

toelichtend (voorbeeld) verband

c)

chronologisch verband

d)

samenvattend verband

83.

al met al

a)

samenvattend verband

b)

concluderend verband

c)

oorzakelijk (oorzaak-gevolg) verband

d)

toelichtend (voorbeeld) verband

84.

dus

a)

toelichtend (voorbeeld) verband

b)

opsommend verband

c)

chronologisch verband

d)

concluderend verband

85.

daarom

a)

toelichtend (voorbeeld) verband

b)

oorzakelijk (oorzaak-gevolg) verband

c)

concluderend verband

d)

toegevend verband

86.

dat houdt in

a)

concluderend verband

b)

opsommend verband

c)

tegenstellend verband

d)

chronologisch verband

87.

concluderend

a)

vergelijkend verband

b)

redengevend (argument) verband

c)

oorzakelijk (oorzaak-gevolg) verband

d)

concluderend verband

88.

kortom

a)

samenvattend verband

b)

concluderend verband

c)

toegevend verband

d)

redengevend (argumenten) verband

89.

al met al

a)

concluderend verband

b)

redengevend (argument) verband

c)

toegevend verband

d)

chronologisch verband

90.

dan ook

a)

toegevend verband

b)

redengevend (argument) verband

c)

concluderend verband

d)

tegenstellend verband