Font size
Worksheetsoefentoets s en g havo 2
Total questions: 37
Worksheet time: 19mins
benoem de onderstreepte zinsdelen:
(pv) – (ow) – (wg) – (lv) – (mv) – (bwb).
Docenten geven hun leerlingen vaak te weinig huiswerk op.
docenten = ow
hun leerlingen = mv
docenten = mv
hun leerlingen = ow
docenten = lv
hun leerlingen = mv
docenten = bwb
hun leerlingen = lv
Is het onderstreepte woord het onderwerp?
Met die nieuwe patta's aan, kan ik niet goed lopen.
ja
nee
soms
Ik kan overal op lopen.
Is het onderstreepte woord het onderwerp?
Met die nieuwe patta's aan, kan ik niet goed lopen.
ja
nee
soms
Ik kan overal op lopen.
Is het onderstreepte woord de persoonsvorm?
Met die nieuwe patta's aan, kan ik niet goed lopen.
ja
nee
soms
Ik kan overal op lopen.
Uit hoeveel woorden bestaat het onderwerp:
Het meisje in de blauwe jurk met de witte stippen geeft mij de kriebels.
1
2
10
2 1/2
hoeveel lidwoorden heeft het Nederlands
(a)
Hoeveel 'onbepaalde' lidwoorden (OLW) kent het Nederlands?
(a)
Hoeveel 'bepaalde' lidwoorden (LW) kent het Nederlands?
(a)
Hoeveel verschillende woordsoorten in de volgende zin?
De man vist.
1
2
3
geen
Hoeveel verschillende woordsoorten in de volgende zin?
De man vist op de zee.
1
2
3
4
persoonsvorm en onderwerp?
Het proefwerk was een lachertje
PV - het proefwerk
OND - was
PV - was
OND - het proefwerk
PV - was
OND - een lachertje
PV - een lachertje
OND - was
persoonsvorm en onderwerp?
School is goed voor je.
PV - is
OND - school
PV - is
OND - goed
PV - je
OND - school
PV - school
OND - je
Hoeveel bijvoeglijke naamwoorden:
De betonnen paal stond tussen de houten kisten, de kartonnen dozen en het metaal.
(a)
Wat is het onderstreepte woord?
Zijn moeder achterhaalde de waarheid.
de persoonsvorm
een werkwoord
een wachtwoord
het onderwerp
Wat zijn de onderstreepte woorden?
Mijnheer Bakker is de beste bakker in ons dorp.
Zelfstandig naamwoord en werkwoord
een werkwoord en een lidwoord
een zelfstandig naamwoord
een werkwoord en een zelfstandig naamwoord.
Hoeveel bijvoeglijke naamwoorden:
De betonnen paal stond tussen de houten kisten, de kartonnen dozen en het oude metaal.
(a)
De persoonsvorm is ALTIJD een (a)
Vóór de persoonsvorm kan maar één zinsdeel staan.
juist
onjuist
Persoonsvorm?
De bakker had al zijn croissants verkocht.
had
verkocht
had verkocht
croissants
Het onderwerp en de persoonsvorm staan vaak naast elkaar.
klopt
klopt niet
Persoonlijke voornaamwoorden zijn:
ik, je, jij, jou, u, hij, zij, ze, het, wij, we, jullie, zij (meervoud), mij, me, hem, haar, ons, hen, hun en ze
m'n, mijn, je, jouw, jouwe, uw, uwe, z'n, d'r, zijn, zijne, haar, hare, ons, onze, jullie, hun
die, dit, dat, deze, zulk, zulke(n), diegene(n), datgene(n), degene(n), dergelijke(n), zo'n
wie, wiens, wat, wat voor (een), welk en welke
Bezittelijke voornaamwoorden zijn:
ik, je, jij, jou, u, hij, zij, ze, het, wij, we, jullie, zij (meervoud), mij, me, hem, haar, ons, hen, hun en ze
m'n, mijn, je, jouw, jouwe, uw, uwe, z'n, d'r, zijn, zijne, haar, hare, ons, onze, jullie, hun
die, dit, dat, deze, zulk, zulke(n), diegene(n), datgene(n), degene(n), dergelijke(n), zo'n
wie, wiens, wat, wat voor (een), welk en welke
Aanwijzende voornaamwoorden zijn:
ik, je, jij, jou, u, hij, zij, ze, het, wij, we, jullie, zij (meervoud), mij, me, hem, haar, ons, hen, hun en ze
m'n, mijn, je, jouw, jouwe, uw, uwe, z'n, d'r, zijn, zijne, haar, hare, ons, onze, jullie, hun
die, dit, dat, deze, zulk, zulke(n), diegene(n), datgene(n), degene(n), dergelijke(n), zo'n, hetzelfde, dezelfde
wie, wiens, wat, wat voor (een), welk en welke
Vragende voornaamwoorden zijn:
ik, je, jij, jou, u, hij, zij, ze, het, wij, we, jullie, zij (meervoud), mij, me, hem, haar, ons, hen, hun en ze
m'n, mijn, je, jouw, jouwe, uw, uwe, z'n, d'r, zijn, zijne, haar, hare, ons, onze, jullie, hun
die, dit, dat, deze, zulk, zulke(n), diegene(n), datgene(n), degene(n), dergelijke(n), zo'n
wie, wiens, wat, wat voor (een), welk en welke
benoem de onderstreepte zinsdelen:
(pv) – (ow) – (wg) – (lv) – (mv) – (bwb).
Docenten geven hun leerlingen vaak te weinig huiswerk op.
geven = pv
geven op = wg
geven = wg
geven op = bwb
geven = pv
geven op = bwb
geven = ow
geven op = pv
benoem de onderstreepte zinsdelen:
(pv) – (ow) – (wg) – (lv) – (mv) – (bwb).
Docenten geven hun leerlingen vaak te weinig huiswerk op.
hun leerlingen = lv
te weinig huiswerk = mv
hun leerlingen = mv
te weinig huiswerk = lv
hun leerlingen = ond
te weinig huiswerk = ow
hun leerlingen = ow
te weinig huiswerk = bwb
benoem de onderstreepte zinsdelen:
(pv) – (ow) – (wg) – (lv) – (mv) – (bwb).
Docenten geven hun leerlingen vaak te weinig huiswerk op.
vaak = bwb
vaak = lv
vaak = mv
vaak = pv
Welke woordsoort heeft het onderstreepte woord?.
(blw) – (olw) – (zn) – (bn) – (hww) – (zn) – (vz) – (bw).
De nieuwe vleugel was na de verbouwing slecht te bereiken voor fietsers door een ongelukje met een ondergrondse stroomkabel.
nieuwe = bn
vleugel = zn
de = blw
slecht = bw
voor = vz
een = olw
met = vz
ondergrondse = bn
voor = vz
een = blw
met = olw
ondergrondse = zn
nieuwe = bw
vleugel = zn
de = blw
slecht = bn
Welke voornaamwoorden in de zin?
(aanw. vnw) – (vr. vnw) – (pers. vnw) – (bez. vnw).
''Wat is dat ding op je hoofd?''
Wat = Vr. vnw.
Dat = Aanw. vnw.
Je = Bez. vnw.
dat = Vr. vnw.
Je = Aanw. vnw.
Hoofd = Bez. vnw.
Hoovt = Vr. vnw.
Ding = Bew. vnw.
Is = Werkwoord.
Wat = Aanw. vnw.
Dat = Bez. vnw.
Je = Vr. vnw.
Welke voornaamwoorden in de zin?
(aanw. vnw) – (vr. vnw) – (pers. vnw) – (bez. vnw)
Hebben die jongen en jij No Nut November nou gefaald door mijn moeder?
Dat = Aanw. vnw.
nou = pers. vnw.
Mij = Bez. vnw.
Jij = Jij. vnw.
Mijn = Lok. vnw.
Die = Bew. vnw.
Jij = Pers. vnw.
Die = Aanw. vnw.
Mijn = Bez. vnw.
Moeder = Vader.
No Nut November
Roze koek = Zn.
Als twee zelfstandige zinnen sterk met elkaar samenhangen, kun je een puntkomma gebruiken, maar een punt mag ook.
Juist
Onjuist
Wat past tussen de vierkante haken?
Zet erachter of het een voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord (vd als bn) of een onvoltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord (od als bn) is.
plannen de […] wedstrijd
witten de […] muur
huilen de […] kleuter
geplande - vd als bn
gewitte - vd als bn
huilende - od als bn
geplande - od als bn
gewitte - od als bn
huilende - vd als bn
geplande - vd als bn
witte - vd als bn
huilende - od als bn
geplande - vd als bn
gewitte - vd als bn
gehuilde - od als bn
Vul de onderstaande zin aan met een gebiedende wijs (gw).
[…] (gebruiken) nou toch eens je verstand, meid!
Denk na!
gebruikt
gebruiken
gebruik
Een AANWIJZEND voornaamwoord 'wijst iets aan'
(die jongen, dat meisje, deze klas)
Juist
Onjuist
Een PERSOONLIJK voornaamwoord verwijst naar een persoon.
(ik loop, zij niest, balen wij?)
Juist
Onjuist
Een BEZITTELIJK voornaamwoord heeft te maken met 'bezit'.
(mijn klas, jouw cijfers, haar haar)
Juist
Onjuist
Een VRAGEND voornaamwoord 'vraagt' naar iets.
(Waar ben je? Wat is dat? Waarom doen jullie dat?)
Juist
Onjuist
