wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Tekstverbanden en signaalwoorden havo 2

Total questions: 63

Worksheet time: 31mins

Name
Class
Date
1.

Van welk verband is sprake in de volgende zin?

Ik ga eerst naar huis, dan ga ik mijn huiswerk maken en daarna ga ik tv-kijken.

a)

Opsommend

b)

Chronologisch

c)

Redengevend

d)

Doel-middel

2.

Van welk verband is sprake in de volgende zin?


Ik heb je verhaal gelezen, maar je opdracht nog niet nagekeken.

a)

Tegenstellend

b)

Toelichtend

c)

Vergelijkend

d)

Voorwaardelijk

3.

Van welk verband is sprake in de volgende zin?


Hij viel van zijn fiets, doordat hij teveel gedronken had.

a)

Doel-middel

b)

Toelichtend

c)

Oorzakelijk

d)

Voorwaardelijk

4.

Van welk verband is sprake in de volgende zin?


Als ik niet ga, gaat zij ook niet!

a)

Redengevend

b)

Doel-middel

c)

Tegenstellend

d)

Voorwaardelijk

5.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'daardoor'?

a)

Tegenstellend

b)

Oorzakelijk

c)

Chronologisch

d)

Toelichtend

6.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'toch'?

a)

Tegenstellend

b)

chronologisch

c)

Opsommend

d)

Concluderend

7.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'bijvoorbeeld'?

a)

Toegevend

b)

Toelichtend

c)

Vergelijkend

d)

Opsommend

8.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'indien'?

a)

Voorwaardelijk

b)

Tegenstellend

c)

Concluderend

d)

Doel-middel

9.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'kortom'?

a)

Concluderend

b)

Doel-middel

c)

Voorwaardelijk

d)

Oorzakelijk

10.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'bovendien'?

a)

Redengevend

b)

Opsommend

c)

Vergelijkend

d)

Toelichtend

11.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'want'?

a)

Redengevend

b)

Toelichtend

c)

Opsommend

d)

Samenvattend

12.

Welke twee signaalwoorden zie je in deze zin?: Ondanks dat ik je aardig vind, nodig ik je toch niet uit op mijn verjaardag. Van mijn ouders mag ik namelijk niet meer dan acht vriendinnen uitnodigen.

a)

opsommend verband

b)

tegenstellend verband

c)

oorzakelijk verband

d)

redengevend verband

e)

voorwaardelijk verband

13.

Citeer het signaalwoord dat niet klopt: Ik ga met plezier naar school, omdat ik leuke vriendinnen heb met wie ik in de pauze praat. Daarnaast vind ik het fijn dat we best vroeg uit zijn. In de klas heb ik het ook leuk door de fijne sfeer. Aan de andere kant zijn de docenten goed in uitleggen.

4 lines
14.

Welk deel van de tekst is dit? We kunnen stellen dat je niet bang hoeft te zijn voor deepfake video's, omdat er kenmerken zijn waar je op kunt letten om te bepalen of iets echt of nep is. Veel mensen zijn bang, maar dat is dus niet nodig als je je er goed in verdiept. 

a)

inleiding

b)

middenstuk

c)

slot

15.

Welk tekstverband staat er in deze zin?: Een dronken automobilist reed mijn tante aan, waardoor ze in het ziekenhuis belandde.

a)

redengevend verband

b)

uitleggend verband

c)

chronologisch verband

d)

oorzakelijk verband

16.

Het regent, dus ik blijf liever thuis.

a)

voorwaardelijk verband

b)

redengevend verband

c)

oorzakelijk verband

d)

concluderend verband

17.

Doordat het regent, ben ik helemaal doorweekt.

a)

voorwaardelijk verband

b)

redengevend verband

c)

oorzakelijk verband

d)

concluderend verband

18.

Als het regent, blijf ik thuis.

a)

voorwaardelijk verband

b)

redengevend verband

c)

oorzakelijk verband

d)

concluderend verband

19.

Op dit vakantiepark kun je fietsen, midgetgolfen, tennissen, schommelen, zwemmen...en op zaterdagavond is er altijd een karaoke! Kortom, er is genoeg te doen!

a)

voorwaardelijk verband

b)

redengevend verband

c)

oorzakelijk verband

d)

concluderend verband

20.

Het signaalwoord 'echter' duidt op een...

a)

chronologisch verband

b)

opsommend verband

c)

tegenstellend verband

d)

toelichtend verband

21.

Het signaalwoord 'maar' duidt op een...

a)

chronologisch verband

b)

opsommend verband

c)

tegenstellend verband

d)

toelichtend verband

22.

"maar"

a)

oorzaak-gevolg

b)

tegenstellend

c)

reden

d)

voorwaarde

23.

"als"

a)

voorbeeld

b)

toelichting

c)

voorwaarde

24.

"doordat"

a)

conclusie

b)

reden

c)

oorzaak-gevolg

25.

"aan de ene kant...aan de andere kant"

a)

voorbeeld

b)

oorzaak-gevolg

c)

reden

d)

tegenstelling

26.

"neem nou"

a)

voorbeeld

b)

toelichting

c)

reden

d)

conclusie

e)

voorwaarde

27.

Welk tekstverband geeft het gekleurde woord aan?

Mijn tante houdt niet van winkelen, maar mijn moeder vindt het heel erg leuk.

a)

tijd

b)

reden

c)

tegenstelling

d)

opsomming

28.

Welk tekstverband geeft het gekleurde woord aan?


Mijn oom is heel erg avontuurlijk. Mijn tante daarentegen is helemaal niet avontuurlijk en wil niet graag nieuwe dingen beleven.

a)

opsomming

b)

volgorde

c)

voorbeeld

d)

tegenstellend

29.

Welk tekstverband geeft het gekleurde woord aan?


Ik heb besloten om vanmiddag naar de kapper te gaan, omdat ik mijn haren nu echt te lang vind .

a)

opsomming

b)

tegenstellend

c)

tijd

d)

redengevend

30.

Welk tekstverband geven de gekleurde woorden aan?


Eerst deed ik mijn pyjama aan en vervolgens poetste ik mijn tanden. Daarna stapte ik in bed en uiteindelijk viel ik weer in slaap.

a)

redengevend

b)

tegenstellend

c)

chronologisch

d)

voorbeeld

31.

Welk tekstverband geeft het gekleurde woord aan?

Omdat mijn buren een hele mooie en fijne auto hebben , wil ik zo'n zelfde auto.

a)

redengevend

b)

voorbeeld

c)

volgorde

d)

tegenstellend

32.

Welk tekstverband geven de gekleurde woorden aan?


Mijn moeder wil groenten en fruit kopen. Verder brood en daarnaast wat broodbeleg en tot slot een paar toetjes.

a)

chronologisch

b)

opsomming

c)

voorbeeld

d)

redengevend

33.

Welk tekstverband geven de gekleurde woorden aan?


Ten eerste vind ik het heel erg leuk om naar school te gaan en ten tweede leer ik er veel van.

a)

voorbeeld

b)

tijd

c)

redengevend

d)

opsomming

34.

Voorbeelden van signaalwoorden zijn:

a)

Maar, en, toch, daarna, ten slotte.

b)

Dat, doen, daar, het, om, uit.

c)

Juist, deze, hij, die.

d)

Geen van allen.

35.

Welk van de volgende signaalwoorden hoort niet bij een opsommend verband?

a)

bovendien

b)

echter

c)

als laatste

d)

vervolgens

36.

Een chronologisch verband beschrijft gebeurtenissen in de juiste tijdsvolgorde.

a)

Deze stelling is juist

b)

Deze stelling is onjuist

37.

In een toelichtend verband wordt extra informatie gegeven, vaak in de vorm van een voorbeeld.

a)

Deze stelling is juist

b)

Deze stelling is onjuist

38.

Ten eerste, ten tweede en ten slotte zijn signaalwoorden die passen bij een tegenstellend verband.

a)

Deze stelling is juist

b)

Deze stelling is onjuist

39.

Dus, daarom, kortom en al met al zijn signaalwoorden die passen bij een concluderend tekstverband.

a)

Deze stelling is juist

b)

Deze stelling is onjuist

40.

Welk tekstverband zie je tussen deze zinnen?

Slechte nachtrust zorgt voor chagrijnige mensen . Ook ongezonde voeding zorgt voor een slecht humeur.

a)

Tijdsvolgorde

b)

Tegenstelling

c)

Oorzaak-gevolg

d)

Opsomming

41.

Van welk tekstverband is hier sprake?


Hoewel hij niet van Spanje houdt, gaat hij er elk jaar heen.

a)

Opsomming

b)

Oorzaak-gevolg

c)

Tegenstelling

d)

Voorbeeld

42.

In elke tekst zit verband. Als dat niet zo is, is de tekst slechter te begrijpen voor een ander. Verbanden tussen woorden, tussen zinnen, tussen alinea’s en grotere tekstgedeelten worden aangegeven met...

a)

tekstverbanden

b)

tekstdoelen

c)

hoofdgedachtes

d)

signaalwoorden

43.

Welk tekstverband vind je in de volgende zin:

Bij sportklimmen gaat de klimmer gezekerd de wand op. Bij de sport 'boulderen' klimt men daarentegen zonder touw omhoog.

a)

Tegenstellend

b)

Redengevend

c)

Concluderend

d)

Vergelijkend

44.
Wat is het tekstdoel?
Een recept voor appelcake.
a)
informeren
b)
instructies geven
c)
overtuigen
d)
activeren
45.
Wat is het tekstdoel?
Een artikel op Wikipedia over Antwerpen.
a)
informeren
b)
activeren
c)
instructies geven
d)
overtuigen
46.
Wat is het tekstdoel?
Een poster met verschillende argumenten waarom je beter water drinkt dan frisdrank.
a)
informeren
b)
overtuigen
c)
activeren
d)
amuseren
47.
Wat is het tekstdoel?
Een reclameadvertentie voor de nieuwste film van James Bond.
a)
activeren
b)
informeren
c)
instructies geven
d)
amuseren
48.
Wat is het tekstdoel?
Een cartoon in de krant.
a)
amuseren
b)
overtuigen
c)
activeren
d)
ontroeren
49.

Welk tekstdoel is dit?

a)

Informeren

b)

Overtuigen

c)

Waarschuwen

d)

Tot handelen aanzetten

e)

Instrueren

50.

Wat is het tekstdoel?

a)

Informeren

b)

Instrueren

c)

Overtuigen

d)

Amuseren

e)

Waarschuwen

51.

Wat is het tekstdoel?

Een bijsluiter van een medicijn.

a)

aanzetten tot actie

b)

overtuigen

c)

informeren

d)

ontroeren

52.

welk plaatje is de activerende tekst?

a)
b)
c)
d)
53.

Welke tekstsoorten horen bij het tekstdoel informeren?

(Meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Artikel

b)

Recensie

c)

Betoog

d)

Gebruiksaanwijzing

54.

Welke tekstsoorten horen bij het tekstdoel overtuigen?

(Meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Werkstuk

b)

Handleiding

c)

Advertentie

d)

Betoog

55.

Welke tekstsoorten horen bij het tekstdoel activeren?

(Meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Advertentie

b)

Verkiezingsaffiche

c)

Beschouwing

d)

Folder supermarkt

56.

Een informatieve tekst bevat feiten.

a)

Waar

b)

Niet waar

57.

De songtekst van een nieuw nummer wil jou...

a)

Overhalen

b)

Informeren

c)

Amuseren

58.
De belangrijkste zin van de alinea heet een kernzin. Waar vind je die meestal?
a)
Dit is vaak de eerste zin.
b)
Dit is vaak de tweede zin.
c)
Dit is vaak de laatste zin.
d)
Dit is vaak de 1e of de laatste zin.
59.

Veel teksten bestaan uit een:

a)

inleiding, kern en slot

b)

begin, hoofdzaak en bijzaken

c)

begin en eind

d)

inleiding, onderwerp en alinea's

60.

Wat doe je als je de tekst globaal leest?

a)

Je leest de hele tekst

b)

Je leest vooral de eerste en laatste zinnen van alle alinea's

61.

Welk tekstdeel is het grootst?

a)

Inleiding

b)

Middenstuk

c)

Slot

62.

Waar vind je kernzinnen?

a)

Geen idee

b)

De eerste, tweede of laatste zin van een alinea

c)

De eerste of de laatste zin van een alinea

d)

Geen van alle antwoorden

63.

Wat is een kernzin?

a)

De titel

b)

De zin die precies in het midden van een tekst staat

c)

De belangrijkste zin van een alinea

d)

De eerste zin van een alinea