wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Brugklas: Thema 4: Stevigheid en beweging

Total questions: 52

Worksheet time: 27mins

Name
Class
Date
1.

Het skelet heeft als functie ...
(Meerdere antwoorden goed)

a)

vorm van het lichaam

b)

zorgt voor beweging

c)

zorgt voor bescherming

d)

zorgt voor afweer tegen ziekteverwekkers

e)

zorgt voor stevigheid

2.

In dit skelet van een babyhoofd zie je 3 delen in de schedel. omlijnd door "witte lijnen" . In een volwassen schedel is dit weg en een complete schedel geworden. Hoe de verbinding waardoor de schedeldelen aan elkaar zitten?

a)

gewrichten

b)

vergroeiingen

c)

naadverbindngen

d)

kraakbeenverbindingen

3.

De botten van bejaarden bevatten meer ...

a)

kraakbeenweefsel

b)

beenweefsel

c)

kalkzouten

d)

Collageen (lijmstof)

4.

In deze afbeelding zie je een bepaald type gewricht. Dit gewricht heet ..

a)

scharniergewricht

b)

naadverbinding

c)

vergroeiing

d)

kogelgewricht

5.

Scharniergewrichten bevinden zich onder andere in ..

a)

hoofd en heup

b)

elleboog en schouder

c)

elleboog en knie

d)

schouder en heup

6.

Om een gewricht goed te laten werken en slijtage aan de botdelen te voorkomen zijn er twee voorzieningen nodig.

a)

gewrichtsbanden en gewrichtskapsels

b)

gewrichtssmeer en gewrichtsbanden

c)

gewrichtssmeer en kraakbeen

d)

kraakbeen en gewrichtskapsels

7.
Met welke type beenverbinding zijn de wervels met elkaar verbonden?
a)
Gewrichten
b)
Kraakbeen
c)
Scharniergewricht
8.
Wat gebeurt er met een spier als hij zich aanspant?
a)
Wordt kort en dun
b)
Wordt lang en dun
c)
Wordt kort en dik
d)
Wordt lang en dik
9.

Een pees vormt de verbinding tussen skeletspier en bot. Wat gebeurt er met een pees als de spier waar het aan vastzit aanspant?

De pees wordt;

a)

Er gebeurt niks met de pees

b)

Langer en dunner

c)

Dikker en korter

d)

Langer en dikker

10.

Wat zijn elkaars antagonisten?
(Meerdere antwoorden mogelijk)

a)

buikspier en rugspier

b)

biceps en triceps

c)

borstspier en dijspier

d)

buikspier en kuitspier

11.

Aan welke kant gezien vanuit de hand zit de ellepijp vast?

a)

De duim

b)

De pink

12.

Welk orgaan wordt beschermt door het skelet?

a)

Darmen

b)

Maag

c)

Longen

d)

Luchtpijp

13.

Welke van de vier beenverbindingen is een verbinding waarbij lichte (een beetje) beweging mogelijk is?

a)

1: Verbinding met een naad

b)

2: Vergroeid

c)

3: Kraakbeenverbinding

d)

4: Gewricht

14.

armstrekspier

a)

biceps

b)

triceps

15.

De achillespees is de pees die de kuitspier verbindt met het hielbeen, Welke beweging zal de voet maken wanneer de achillespees omhoog getrokken wordt?

a)

Tenen naar boven

b)

Tenen naar onderen

c)

Voet draait naar links

d)

Voet draait naar rechts

16.

In dit figuur staan drie tekeningen van een stukje weefsel, bekeken door een microscoop.

Welke tekening geeft kraakbeenweefsel weer?

a)

1

b)

2

c)

3

17.

Tijdens een spreekbeurt zegt Marijke het volgende over de bouw van botten:

1.    Kraakbeenweefsel verandert tijdens de groei in beenweefsel.

2.    Tijdens de groei gaan beenderen steeds meer kalkzouten krijgen en steeds minder lijmstof.

Welke van deze beweringen is juist?

a)

Alleen bewering 1 is juist

b)

Alleen bewering 2 is juist

c)

Beide beweringen zijn juist

d)

Beide beweringen zijn onjuist

18.

In je bovenbeen vinden we twee grote skeletspieren. De voorste dijbeenspier en de achterste dijbeenspier. Welke spier moet je aanspannen om je onderbeen te buigen?

a)

Voorste dijbeenspier

b)

Achterste dijbeenspier

19.

Een skelet van een baby bestaat voornamelijk uit kraakbeenweefsel en (nog niet) uit botweefsel.

a)

Waar

b)

Niet waar

20.

Over het skelet van het paard worden twee uitspraken gedaan: Petra - nummer 9 is het borstbeen en Kees - nummer 10 is het opperarmbeen. Wie heeft gelijk?

a)

alleen Petra

b)

alleen kees

c)

beide

d)

geen van beide

21.

Bekijk het kattenskelet. Welke beenverbinding bevindt zich tussen nummer 1 en 2?

a)

een kraakbeenverbinding

b)

een scharniergewricht

c)

een kogelgewricht

d)

een naad

22.

Vijf voorbeelden van botten zijn: borstbeen - dijbeen - onderkaak - sleutelbeen - lendenwervels. wat is de goede volgorde van beneden naar boven in het skelet?

a)

sleutelbeen, borstbeen, lendenwervels, onderkaak, dijbeen

b)

onderkaak, borstbeen, sleutelbeen, lendenwervels, dijbeen

c)

onderkaak, sleutelbeen, borstbeen, lendenwervels, dijbeen

d)

dijbeen, lendenwervels, borstbeen, sleutelbeen, onderkaak

23.

Welke uitspraak over spieren en pezen is waar? Meerdere antwoorden mogelijk.

a)

zowel spieren als pezen kunnen samentrekken

b)

de triceps is een voorbeeld van een skeletspier

c)

spiertjes in de wand van je darmkanaal zijn gladde spieren

d)

het nut van spieren is: een beweging tot stand brengen

24.

In de afbeelding zie je een tekening van een heupgewricht. Wat is de naam van onderdeel 5?

a)

Kapselband

b)

Gewrichtskapsel

c)

Kraakbeenlaagje

d)

Gewrichtssmeer

25.

In de afbeelding zie je een tekening van een heupgewricht. Wat is de naam van onderdeel 6?

a)

Kapselband

b)

Gewrichtskapsel

c)

Kraakbeenlaagje

d)

Gewrichtssmeer

26.

Hoe heet bot nummer 18?

a)

Handwortelbeentje

b)

Middenhandsbeentje

c)

Vingerkootje

d)

Spaakbeen

27.

De schedelbeenderen van een baby zijn nog niet aan elkaar gegroeid.

Hoe heten de vliezen (het bindweefsel) tussen de schedelbeenderen van een baby?

(a)  

28.

Wat is de goede volgorde van klein naar groot?

a)

spiervezel - spier - spierbundel

b)

spier - spierbundel - spiervezel

c)

spiervezel - spierbundel - spier

d)

spierbundel - spier - spiervezel

29.

In de mergholte van pijpbeenderen vind je

a)

Rood beenmerg

b)

Geel beenmerg

30.

Het opperarmbeen is een voorbeeld van een

a)

Pijpbeen

b)

Plat been

31.

Kies het woord dat op plek 5 moet staan.

a)

ledematen

b)

arm

c)

been

d)

hoofd

e)

romp

32.

Kies het woord dat op plek 1 moet staan.

a)

ledematen

b)

arm

c)

been

d)

hoofd

e)

romp

33.

De borstkas bestaat uit:

a)

sleutelbeenderen

b)

schouderbladen

c)

ribben

d)

borstbeen

e)

heupbeenderen

34.

De schoudergordel bestaat uit:

a)

sleutelbeenderen

b)

schouderbladen

c)

ribben

d)

borstbeen

e)

heupbeenderen

35.

Wat is een aanhechtingspunt?

a)

verbinding tussen de organen en weefsel

b)

plaats waar de pees vastzit aan het bot

c)

punt waar zuurstof wordt gehecht aan de spier

36.

Hoe heet bot nummer 3?

a)

wandbeen

b)

Slaapbeen

c)

Voorhoofdbeen

d)

Jukbeen

37.

Elke spiervezel in een skeletspier...

(Meerdere antwoorden goed)

a)

is dwarsgestreept

b)

bestaat uit één cel

c)

bevat veel kernen

d)

Bestaat uit meerdere cellen

e)

Bevat weinig kernen

38.

Zowel dwarsgestreept spierweefsel als gladspierweefsel staan onder invloed van de wil. (Bewuste beweging)

a)
fout
b)
juist
39.

Hoe heet onderdeel 2

a)

Bot

b)

Geleiachtige kern

c)

Kraakbeenlaagje

d)

Kalkzout

e)

Lijmstof

40.

Hoe heet onderdeel 1

a)

Bot

b)

Geleiachtige kern

c)

Kraakbeenlaagje

d)

Kalkzout

e)

Lijmstof

41.
Wat geeft nummer 2 aan?
a)
Spiervezel
b)
Spierbundel
c)

Spierfibril

d)
Pees
42.

Welk type spierweefsel heeft véél celkernen?

a)

Dwarsgestreeptspierweefsel

b)

Glad spierweefsel

c)

Hartspierweefsel

43.

Welk type spierweefsel zorgt voor de beweging van de darmen?

a)

Dwarsgestreept spierweefsel

b)

Glad spierweefsel

c)

Hartspierweefsel

44.

Glad spierweefsel kun je bewust aansturen.

a)

Waar

b)

Niet waar

45.

Welk nummer geeft een beencel aan?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

46.

Waar staan de wervels in de juiste volgorde?

a)

Halswervels - lendenwervels - borstwervels - heiligbeen - staartbeen

b)

Borstwervels - halswervels - lendenwervels - heiligbeen - staartbeen

c)

Halswervels - borstwervels - lendenwervels - staartbeen - heiligbeen

d)

Halswervels - borstwervels - lendenwervels - heiligbeen - staartbeen

47.

Wat voor soort weefsel zie je in deze afbeelding? Zit er in de tussencelstof veel of weinig lijmstof?

a)

Kraakbeen; veel lijmstof

b)

Kraakbeen; weinig lijmstof

c)

 Been; veel lijmstof

d)

Been; weinig lijmstof

48.

Waarom zijn lendenwervels groter dan halswervels?

a)

Lendenwervels moeten minder gewicht dragen

b)

Halswervels moeten minder gewicht dragen

c)

Lendenwervels moeten meer gewicht dragen

d)

Halswervels moeten meer gewicht dragen

49.

Waarvoor is de geleiachtige kern in een tussenwervelschijf?

a)

Stevigheid

b)

Veerkracht

c)

Beweging

d)

Verbinding

50.

Waarom heeft de wervelkolom een dubbele-S-vorm? (Meerdere antwoorden goed)

a)

Voor je vorm.

b)

Zodat de druk op een tussenwervelschijf gelijk verdeeld is.

c)

Voor balans

d)

Zodat schrokken beter opgevangen kunnen worden.

e)

Voor veerkracht.

51.

Wat is de vorm van de wervelkolom bij mensen?

a)

afhankelijk van skelet

b)

dubbele Z-vorm

c)

dubbele s-vorm

d)

s-vormig

52.

Fontanellen zijn open gaten in hoofden van baby's.

a)

Goed

b)

Fout