wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Lezen oefenen

Total questions: 25

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

Een nieuwsbericht hoort bij het tekstdoel:

(a)  

2.

Een klachtenbrief hoort bij het tekstdoel...

(a)  

3.

Een stripboek hoort bij het tekstdoel..

(a)  

4.

Een oproep om mee te doen aan een sponsorloop hoort bij het tekstdoel:

(a)  

5.

Als de schrijver een opsomming wil laten zien in een tekst, kan hij het volgende signaalwoord gebruiken:

a)

dus

b)

ten eerste

c)

echter

d)

terwijl

6.

Als je een tegenstelling duidelijk wil maken in een tekst, kun je de volgende woorden gebruiken:

a)

maar

b)

echter

c)

daardoor

d)

daarom

7.
Het onderwerp van de tekst beschrijf je
a)
Zo kort mogelijk
b)
Zo uitgebreid mogelijk
c)
In drie zinnen
d)
Niet
8.

Waaruit bestaat betrouwbare informatie?

a)

Feiten

b)

Feiten en meningen

c)

Meningen

9.

Wat is de bron van een tekst

a)

Geeft aan waar een tekst vandaan komt

b)

De aanleiding van de tekst

c)

Het slot van de tekst

d)

De conclusie

10.

Wat is een alinea?

a)

Dit noemen we ook wel het onderschrift.

b)

De 'naam' van de tekst. Staat altijd helemaal bovenaan en is vaak dik gedrukt.

c)

Een stukje tekst in de tekst. Het heeft vaak een eigen onderwerp.

11.

Bij welk verband hoort het signaalwoord: toen

a)

Tijd

b)

Opsomming

c)

Tegenstelling

12.

Bij welk verband hoort het signaalwoord: maar

a)

Opsomming

b)

Tegenstelling

c)

Tijd

13.

Bij welk verband hoort het signaalwoord: Zoals

a)

Voorbeeld

b)

Tijd

c)

Opsomming

14.

Welk verband staat in de volgende zin:

Ik houd van Italiaans eten, zoals spaghetti en pizza.

a)

Voorbeeld

b)

Tijd

c)

Tegenstelling

15.

Welk verband staat in de volgende zin:


In dat huis wonen mensen, verder wonen er katten en honden.

a)

Opsomming

b)

Tegenstelling

c)

Tijd

16.

Een synoniem is...

a)

Een ander woord voor hetzelfde.

b)

Hetzelfde woord met een andere betekenis.

c)

Een moeilijk woord.

d)

Een omschrijving van een moeilijk woord.

17.

Een voorbeeldgevend signaalwoord is..

a)

maar, want, toch

b)

Ten eerste, ten slotte

c)

Zoals, bijvoorbeeld

d)

Eerst, later, voor het eerst

18.

Mijn broer heeft geen trek in pizza, maar ik wel. In deze zin staat staat een ... signaalwoord.

a)

voorbeeldgevend

b)

tegenstellend

c)

tijdsvolgorde

d)

opsommend

19.

Eerst gaan we naar de supermarkt, daarna gaan we naar de kapper.

a)

Opsomming

b)

Tijdsvolgorde

c)

Tegenstelling

d)

Voorbeeldgevend

20.

Wat is een alinea?

a)

Een paar regels

b)

een onderwerp

c)

Een stukje tekst in een tekst.

d)

waar de tekst over gaat

21.

Wat is een tussenkopje?

a)

Waar de tekst over gaat.

b)

De naam van de alinea.

c)

De naam van de tekst.

22.

Je zoekt informatie over het beste restaurants bij jou in de buurt. Welke bron is het meest betrouwbaar?

a)

websites van restaurants

b)

vrienden die vaak uit eten gaan

23.

Welk kenmerk hoort bij een instructie?

a)

een instructie bevat meestal een stappenplan

b)

een instructie bevat altijd plaatjes

c)

een instructie bevat meestal meningen

24.

Wat maakt een mening sterk?

a)

wanneer de schrijver veel uitroeptekens gebruikt

b)

goede argumenten

c)

wanneer de schrijver veel hoofdletters gebruikt

25.

Welke uitspraken zijn meningen?

a)

Iedereen moet gratis kunnen studeren

b)

Studeren kan een flinke kostenpost zijn

c)

Iedere student zou zijn eigen studie moeten betalen

d)

Studeren kan in de meeste Nederlandse steden