Worksheets2HV Kapitel 2
Total questions: 46
Worksheet time: 56mins
Vertaal onderstaand woord naar het Duits:
jarig zijn
(a)
Vertaal onderstaand woord naar het Duits:
krijgen
(a)
Vertaal onderstaand woord naar het Duits:
zich verheugen
(a)
Vertaal onderstaand woord naar het Duits:
altijd
(a)
Vertaal onderstaand woord naar het Duits:
oud en nieuw
(a)
Vertaal onderstaand woord naar het Duits:
de uitnodiging
(a)
Vertaal onderstaand woord naar het Duits:
het feest
(a)
Vertaal onderstaand woord naar het Duits:
soms
(a)
Vertaal onderstaand woord naar het Nederlands:
Der Weihnachtsbaum
(a)
Vertaal onderstaand woord naar het Nederlands:
das Mädchen
(a)
Vertaal onderstaand woord naar het Nederlands:
der Herbst
(a)
Vertaal onderstaand woord naar het Nederlands:
glücklich
(a)
Vertaal onderstaand woord naar het Nederlands:
feiern
(a)
Vertaal onderstaand woord naar het Nederlands:
einladen
(a)
Vertaal onderstaand woord naar het Nederlands:
der Heiligabend
(a)
Vertaal onderstaand woord naar het Nederlands:
tanzen
(a)
Is onderstaand woord der/die/das/die?
Kuh
der
die
das
die (meervoud)
Is onderstaand woord der/die/das/die?
Fröhlichkeit
der
die
das
die (meervoud)
Is onderstaand woord der/die/das/die?
Brötchen
der
die
das
die (meervoud)
Is onderstaand woord der/die/das/die?
Sendung
der
die
das
die (meervoud)
Is onderstaand woord der/die/das/die?
Lehrer
der
die
das
die (meervoud)
Is onderstaand woord der/die/das/die?
Kind
der
die
das
die (meervoud)
Is onderstaand woord der/die/das/die?
Freundschaft
der
die
das
die (meervoud)
Maak een voltooid deelwoord van onderstaand werkwoord:
spielen
(a)
Maak een voltooid deelwoord van onderstaand werkwoord:
wohnen
(a)
Maak een voltooid deelwoord van onderstaand werkwoord:
wünschen
(a)
Maak een voltooid deelwoord van onderstaand werkwoord:
tanzen
(a)
Wat is het ezelsbruggetje voor de regelmatige werkwoorden?
(a)
Vervoeg onderstaand werkwoord.
Ich (a) (spielen) heute nicht.
Vervoeg het werkwoord.
(a) (machen) du deine Hausaufgaben zu Hause?
Vervoeg het werkwoord.
Ihr (a) (wünschen) euch immer Geld.
Vervoeg het werkwoord.
Meine Mutter (a) (tanzen) nie!
Vervoeg het werkwoord.
Ihr (a) (sein) zu spät.
Vervoeg het werkwoord.
Wir (a) (sein) zu Hause.
Vervoeg het werkwoord.
Du (a) (sein) 20 Jahre alt, oder?
Vervoeg het werkwoord.
Ihr (a) (haben) Glück! Er ist nicht böse.
Vervoeg het werkwoord.
Mein Vater (a) (haben) das nicht gemacht.
Vertaal naar het Duits:
Lieve Lena,
(a)
Vertaal naar het Duits:
Ik nodig je hartelijk uit voor mijn feest.
(a)
Vertaal naar het Duits:
Het feest is op zaterdag 7 december.
(a)
Vertaal naar het Duits:
We vieren het feest bij mij thuis.
(a)
Vertaal naar het Duits:
Het feest begint om half 9.
(a)
Vertaal naar het Duits:
Ik wil graag geld.
(a)
Vertaal naar het Duits:
Ik zou het leuk vinden als je erbij bent.
(a)
Vertaal naar het Duits:
Laat even weten of je kunt komen.
(a)
Vertaal naar het Duits:
Lieve groetjes
(a)
