wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 1 - Inleiding in de Biologie (4Havo)

Total questions: 26

Worksheet time: 17mins

Name
Class
Date
1.

Ecologie kun je bestuderen op verschillende niveaus. In welk rijtje staan ze op de juiste manier van klein naar groot?

a)

Individu - levensgemeenschap - populatie - ecosysteem

b)

Individu - populatie - ecosysteem - levensgemeenschap

c)

Individu - populatie - levensgemeenschap - ecosysteem

d)

Populatie - individu - levensgemeenschap - ecosysteem

2.

Op welk organisatieniveau onderzoek je in de biologie als je op het niveau van de foto aan het onderzoeken bent?

a)

Molecuul

b)

Cel

c)

Weefsel

d)

Orgaan

3.

Kijk naar de afbeelding. Wat wordt aangegeven met nummer 2?

a)

Celmembraan

b)

Chloroplast

c)

Ruw endoplasmatisch reticulum

d)

Mitochondrium

4.

Bekijk de afbeelding. Wat is de functie van onderdeel 4?

a)

Eiwitsynthese

b)

Transport van stoffen

c)

Regeling stofwisseling

d)

Energie vrijmaken

5.

In welke plastiden vindt de fotosynthese plaats?

a)

In de chloroplasten

b)

In de leukoplasten

c)

In de chromoplasten

d)

In de zetmeelkorrels

6.

Waar wordt de intercellulaire ruimte voor gebruikt?

a)

Voor de stofwisselingsprocessen

b)

Voor het transport van water

c)

Voor de stevigheid

d)

Voor het transport van gassen

7.

Een wetenschapper wil de invloed van aspirine op de bloeddruk bepalen. Hij beschikt over twee gelijke groepen proefpersonen. De proefpersonen van de ene groep krijgen een aspirinetabletje (opgelost in een glas water) waarna ze de oplossing moeten opdrinken. Wat moet de controlegroep toegediend krijgen?

a)

Niks

b)

Een glas water

c)

Een glas water met opgelost een vergelijkbaar tabletje zonder aspirine

d)

Een vergelijkbaar tabletje zonder aspirine

8.

Een leerling bestudeert met zijn microscoop cellen van een rok van een ui in een druppel gedestilleerd water. Daarna wil hij intacte rode bloedcellen bestuderen. Hij moet de rode bloedcellen in een druppel van een zoutoplossing met een bepaalde concentratie leggen en niet in een druppel gedestilleerd water. Waarom is dit verschil in behandeling nodig?

a)

Omdat cellen van een ui geen celmembraan hebben en rode bloedcellen wel

b)

omdat de osmotische waarde van de cellen van een ui hoger is dan die van rode bloedcellen

c)

omdat rode bloedcellen in gedestilleerd water opzwellen en vervolgens knappen en cellen van een ui niet

d)

omdat rode bloedcellen in gedestilleerd water een te grote hoeveelheid zouten door e celmembraan naar buiten laten gaan en cellen van een ui niet

9.

Uit een aardappel worden enkele staafjes gesneden. De staafjes zijn even lang en even dik. Ze worden in verschillende suikeroplossingen gelegd. Een dag later wordt de lengte van de staafjes gemeten. Het resultaat hiervan is weergegeven in het diagram van de afbeelding. Ook de lengte van de staafjes voor de proef is in het diagram weergegeven. Bij welke van de in het diagram aangegeven suikerconcentraties is de turgor van de aardappelcellen het hoogst?

a)

Bij concentratie P

b)

Bij concentratie Q

c)

Bij concentratie R

d)

Bij concentratie S

10.

Wanneer Joris verlepte sla in water legt, merkt hij dat de sla opnieuw fris en knapperig wordt. Verklaar zijn waarneming.

a)

De cellen van de sla nemen water op door actief transport.

b)

De cellen van de sla nemen zout op door diffusie

c)

De cellen van de sla nemen water op door osmose

d)

De cellen van de sla geven water af door osmose

11.

Wat is het verschil tussen het ruw ER en het glad ER?

a)

Er is geen verschil tussen beiden

b)

Plantaardige cellen hebben een ruw ER, dierlijke cellen hebben een glad ER.

c)

Het glad ER maakt eiwitten aan, het ruw ER verpakt ze in blaasjes

d)

Op de buitenkant van het ruw ER zitten ribosomen, op het glad ER niet.

12.

Deze afbeelding is een voorbeeld van _____.

a)

actief transport

b)

passief transport

c)

diffusie

d)

osmose

13.

In het cytoplasma van een zenuwcel is de kalium concentratie (K+ ionen) veel hoger dan buiten de cel. Welk manier van transport maakt dit mogelijk?

a)

diffusie

b)

actief transport

c)

passief transport

d)

osmose

14.

In de afbeelding zie je een ader (blauw) langs de nierbuis afstromen (geel). De wanden van deze vaten zijn semi-permeabel. Alleen water kan erdoor. Welke pijl is de juiste weergave van de richting waarin de waterdeeltjes zich verplaatsen door osmose?

a)

Pijl A

b)

Pijl B

15.

Wat zijn organellen?

a)

Het zelfde als een orgaan, zoals een lever of hart

b)

Dit zijn de organen van een plant

c)

een groep cellen met dezelfde vorm en functie

d)

de delen van een cel die een eigen functie hebben

16.

Wat doen lysosomen?

a)

maken eiwitten

b)

kunnen moleculen afbreken

c)

is een onderdeel van het celmembraan

d)

zet DNA om in RNA

17.

Wat is de functie van de celkern

a)

speelt een rol bij de eiwitsynthese

b)

 stofwisseling aansturen in de cel 

c)

Leveren energie aan de cel

d)

zorgt voor vertering van stoffen in de cel

18.

Deze afbeelding is een voorbeeld van...

a)

osmose

b)

diffusie

c)

geleide diffusie

d)

actief transport

19.

Na een heerlijk lang bad blijken je vingers verschrompeld. Dit is een voorbeeld van...

a)

actief transport

b)

diffusie

c)

osmose

20.

Syndroom van Kearns-Sayre

Bij het syndroom van Kearns-Sayre krijgen spieren en organen te weinig energie doordat een organel niet goed functioneert. Hierdoor wordt er minder efficiënt ATP aangemaakt.

Vraag: Geef de naam van het organel dat bij personen met dit syndroom minder goed functioneert.

4 lines
21.

Welke verzameling van organismen kan een populatie vormen?

a)

alle bloemen in een weiland

b)

alle organismen die op één eik leven

c)

alle waterplanten in een sloot

d)

alle wilde hamsters in Nederland

e)

alle zoetwatermosselen in een sloot

22.

Wat is de rol van mitochondriën in de cel?

a)

Producenten van energie

b)

Afbreken van afvalstoffen

c)

Opslaan van genetische informatie

d)

Regelen van de celcyclus

23.

Welke van de volgende processen is een voorbeeld van passief transport?

a)

Endocytose

b)

Exocytose

c)

Diffusie

d)

Actief transport

24.

Wat is de functie van ribosomen in een cel?

a)

Productie van energie

b)

Productie van eiwitten

c)

Afbraak van vetten

d)

Opslag van suikers

25.

Welke van de volgende processen is een voorbeeld van actief transport?

a)

Diffusie van zuurstof

b)

Opname van glucose door cellen

c)

Osmose van water

d)

Verplaatsing van ionen door een kanaal

26.

Wat gebeurt er met een cel als deze in een hypertonische oplossing wordt geplaatst?

a)

De cel zwelt op

b)

De cel krimpt

c)

De cel blijft gelijk

d)

De cel barst