wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Onderwerp + Hoofdgedachte

Total questions: 12

Worksheet time: 6mins

Name
Class
Date
1.
Eén van de opties hieronder is geen tekstdoel. Welke?
a)
Informeren
b)
Instructie geven
c)
Verwijzen
d)
Overtuigen
2.
Waar vind je meestal de hoofdgedachte van een tekst?
a)
Inleiding + slot
b)
Tweede alinea
c)
Kern
d)
Titel
3.
Wat is de hoofdgedachte van een artikel?
a)
Het tekstdoel
b)
De kortst mogelijke samenvatting van de tekst
c)
Het onderwerp
d)
Waarom de schrijver de tekst heeft geschreven
4.

Stel: een tekst heeft drie delen. Eén gaat over paardenrennen, het tweede deel gaat over poker en het derde gaat over speelautomaten. Wat zal het onderwerp van deze tekst zijn?

a)

Maneges

b)

Sporten

c)

de Nederlandse overheid

d)

Gokken

5.

Wat is de hoofdgedachte van een tekst?

a)

Het bevat het belangrijkste nieuws van een nieuwsbericht.

b)

Het vat de belangrijkste inhoud van een tekst in enkele zinnen samen.

c)

Het vertelt in één zin wat de tekst over het onderwerp van de tekst zegt.

6.

Wat is de mogelijke hoofdgedachte van een tekst over schoonmaakmiddelen?

a)

Ook een kast vol met jaren oude schoonmaakmiddelen?

b)

De meeste schoonmaakmiddelen zijn eigenlijk overbodig.

c)

Veel mensen weten niet dat je de schimmel in je badkamer met azijn kunt wegkrijgen.

7.

Het belangrijkste doel van een brief van de NS over tariefswijzigingen is ...

a)

informeren

b)

instrueren

c)

overhalen

d)

overtuigen

8.

Teksten over hetzelfde onderwerp en met hetzelfde doel hebben dezelfde hoofdgedachte.

a)

Dat zou kunnen, maar hoeft niet.

b)

Ja, want de teksten willen hetzelfde bereiken.

c)

Nee, elke tekst is verschillend en heeft dus een andere hoofdgedachte.

9.

Welke uitspraken zijn juist?

De informatie in een tekst is betrouwbaarder als....

a)

de bron belang heeft bij een bepaalde voorstelling van zaken.

b)

de bron van de tekst bekend is.

c)

de bron verstand heeft van het onderwerp.

d)

de informatie in elk geval ouder is dan één week.

e)

de informatie te controleren is.

10.

Met de leesstrategie 'gericht lezen' lees je ...

a)

...de tekst in z'n geheel.

b)

... altijd de inleiding en het slot.

c)

alleen die stukken van de tekst die met jouw vraag te maken hebben.

d)

... alles wat je goed moet begrijpen.

11.

Wanneer lees je een tekst intensief?

a)

Als je een bepaalde vraag over het onderwerp hebt.

b)

Als je de hoofdgedachte van de tekst wil vinden.

c)

Als je niet zeker weet wat je zoekt.

d)

Als alle informatie in de tekst belangrijk voor je is.

12.

Deze korte test was

a)

makkelijk, omdat ik goed opgelet heb tijdens de les.

b)

moeilijk, omdat ik niet oplet in de les.