wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 2 - DNA (5Havo)

Total questions: 23

Worksheet time: 17mins

Name
Class
Date
1.

Waarom is DNA belangrijk?

a)

het is erg klein en erg ingewikkeld

b)

het zit in alles

c)

het dient als de blauwdruk (blue-print) voor eigenschappen van alle levende wezens

d)

omdat we het elke dag eten voor energie

2.

Wat zijn de 4 stikstofbasen?

a)

adenine, thymine, cytoplasma, and guanine

b)
adenine, thymine cytosine, and guanine
c)

adenine, thymine, cytosine, and glycerol

d)
adenine, thymine, cytosine, and glucose
3.

De suiker in DNA is ?

a)
sucrose
b)
glucose
c)
deoxyribose
d)
fructose
4.

volgorde van replicatie

a)
3, 4, 2, 1
b)
3, 1, 4, 2
c)
2, 1, 4, 3
d)
3, 4, 1, 2
5.

Waarom repliceert DNA?

a)

Een nieuwe kopie maken voor de nieuwe cel

b)

Een duplicaat maken voor het geval het origineel beschadigd raakt

c)

Een nieuwe kopie maken om het beschadigde origineel te vervangen

6.

U krijgt de DNA-streng 5'ATGCTCAGCTGA3'. Wat is de bijbehorende DNA-streng?

a)

5'UACGAGUCGACU3'

b)

5'TACGAGTCGACT3'

c)

3'UACGAGUCGACU5'

d)

3'TACGAGTCGACT5'

7.

Als een DNA-molecuul voor 29% uit guanine bestaat, hoeveel cytosine zal het dan bevatten?

a)
29%
b)
58%
c)
21%
d)
I have no idea.
8.

DNA fiingerprinting werkt omdat....

a)

de meeste genen dominant zijn.

b)

alle organismen bevatten RNA

c)

de belangrijkste genen zijn bij de meeste mensen verschillend

d)

Geen twee mensen, behalve eeneiige tweelingen, hebben precies hetzelfde DNA

9.

Waar vindt de translatie plaats?

a)

In de celkern

b)

In het cytoplasma

10.

Waar vindt de transcriptie plaats?

a)

In de celkern

b)

In het cytoplasma

11.

Drie opeenvolgende stikstofbasen in het RNA noem je...

a)

adenines

b)

fosfaatgroepen

c)

codons

d)

anticodons

e)

mRNA

12.

Lange ketens van aminozuren heten ook wel:

a)

vetten

b)

DNA

c)

mRNA

d)

eiwitten

e)

koolhydraten

13.

Het hele proces van overschrijven van DNA op mRNA en het uiteindelijke vormen van een functioneel eiwit noem je...

a)

transcriptie

b)

translatie

c)

eiwitsynthese

d)

exocytose

14.

Wat is de rol van het ER (endoplasmatisch reticulum) bij de eiwitsynthese?

a)

Maken van eiwit

b)

Vouwen en vervoeren van eiwit

c)

Aflezen van DNA-code

d)

Exocytose

15.

Welk proces vindt er plaats op deze tekening?

a)

transcriptie

b)

transfer-RNA creëert basen

c)

translatie

d)

DNA-helix wordt opengevouwen

16.

Wat is de correcte aminozuursequentie voor de mRNA code AUGCCAGUAUGA?

a)

Met-Pro-Val-Stop

b)

Met-Pro-Arg-Stop

c)

Met-Tyr-Gly-His

d)

Tyr-Gly-Arg-His

17.

Bij het aflezen van een regulatorgen kan een ______________(1) worden gemaakt, die het aflezen en vertalen van andere genen kan ___________(2)

a)

(1) repressor, (2) blokkeren

b)

(1) repressor, (2) stimuleren

c)

(1) operator, (2) stimuleren

d)

(1) operator, (2) blokkeren

18.

Welke mutatie is hier opgetreden?

T-G-A-C-C-A

T-G-A-G-C-A

a)

Vervanging

b)

Verwijdering

c)

Invoeging

19.

Wat is biotechnologie?

a)

Nuttige producten maken door gebruik te maken van levende systemen en organismen

b)

Een gebied van biotechnologie dat is gecentreerd rond het gebruik van DNA.

c)

Het doel om een ​​genetische kopie van een heel organisme te reproduceren.

20.

Een organisme waarvan het DNA is aangepast?

a)

Transgeen

b)

Genetische gemodificeerde organisme (GMO)

c)

Human Genome Project

d)

DNA fingerprinting

21.

Tegenwoordig zijn er veel meer organismen bekend die genen van andere soorten bevatten. Het zijn onder andere de door de mens genetisch gemodificeerde organismen. Welke term wordt in de biologie gebruikt om een genetisch gemodificeerd organisme aan te duiden?

a)

Heterozygoot

b)

Kloon

c)

Mutant

d)

Transgeen

22.

DNA bestaat uit de volgende onderdelen:

a)

deoxyribose

b)

ribose

c)

stikstofbasen

d)

chromosomen

e)

fosfaatgroep

23.

Wat is nummer 2?

a)

het endoplasmatisch reticulum

b)

de ribosomen

c)

de celkern

d)

het kernmembraan