wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

KNX 1

Total questions: 21

Worksheet time: 17mins

Name
Class
Date
1.

Op wat voor spanning werkt Twisted Pair?

a)

30VAC

b)

21VAC

c)

30VDC

d)

21VDC

2.

Wat is een TN-C stelsel

a)
b)
c)
d)
3.

Hoeveel Volt meet ik over één van de drie verbruikerstoestellen?

a)

400V

b)

230V

c)

115V

d)

200V

4.

Wat voor waarde willen we meten tijdens het meten van de aardverspreidingsweerstandsmeting.

a)

Zo laag mogelijk onder de 160 Ohm

b)

Zo hoog mogelijk boven de 160 Ohm

c)

Onder 1600 Ohm

d)

boven de 160 Ohm

5.

Bij twisted pair is de minimale spanning moet​ ​ ​ (a)   en de maximale spanning ​ (b)  

Choose from the below words
21VDC
30VDC
21VAC
30VAC
6.

Komt overeen met het volgende

a)
1.

4

b)
2.

14

c)
3.

212

d)
4.

76

e)
5.

213

7.

Wat is de juist volgorde?

a)

Backbone

b)

Zonnekoppelaar

c)

Hoofdlijn

d)

Lijnkoppelaar

e)

Lijnsegment

1)
2)
3)
4)
5)
8.

Uit hoeveel bits bestaat een groepsadres?

a)

1 bits

b)

64 bits

c)

16 bits

d)

8 bits

e)

256 bits

9.

Teken het symbool van een kruisschakelaar.

10.

Basisvereffeningsleiding is verbonden met?

a)

Gasleiding

b)

Radiator

c)

Metalen bad

d)

Trapleuning

e)

Doucheput

11.

If bereken je op de volgende manier?

a)

IF=230V1.5Ω+0.5Ω+0.3Ω=100AIF=\frac{230V}{1.5\Omega+0.5\Omega+0.3\Omega}=100A

b)

IF=100V1000Ω+50Ω=0.095AIF=\frac{100V}{1000\Omega+50\Omega}=0.095A

c)

IF=230V0.5Ω+0.3Ω=287,5AIF=\frac{230V}{0.5\Omega+0.3\Omega}=287,5A

12.

Hoeveel metingen verricht je met spanningsloosheid aantonen van een driefasen installatie?

(a)  

13.

Als een drietal spoelen aansluit in ster op een 230/400V net is:

a)

De fasespanning 230V en de lijnspanning 690V

b)

De fasespanning 400V en de lijnspanning 230V

c)

De fasespanning 400V en de lijnspanning 690V

d)

De fasespanning 230V en de lijnspanning 400V

14.

Wat wordt hier uitgebeeld?

(a)  

15.

Hij toont belangstelling voor leerlingen

a)

Vaak

b)

Regelmatig

c)

Soms niet,soms wel

d)

Soms

e)

Nooit

16.

Bij hem heb je vrijheid

a)

Vaak

b)

Regelmatig

c)

Soms niet,soms wel

d)

Soms

e)

Nooit

17.

Je hebt bij hem eigen verantwoordelijkheid

a)

Vaak

b)

Regelmatig

c)

Soms niet,soms wel

d)

Soms

e)

Nooit

18.

Er valt met hem te praten

a)

Vaak

b)

Regelmatig

c)

Soms niet,soms wel

d)

Soms

e)

Nooit

19.

Hij is voor de orde in de les afhankelijk van de medewerking van de leerlingen

a)

Vaak

b)

Regelmatig

c)

Soms niet,soms wel

d)

Soms

e)

Nooit

20.

Hij is iemand op wie je kunt vertrouwen

a)

Vaak

b)

Regelmatig

c)

Soms niet,soms wel

d)

soms

e)

Nooit

21.

Je weet precies waar je bij hem aan toe bent

a)

Vaak

b)

Regelmatig

c)

Soms niet,soms wel

d)

soms

e)

Nooit