wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Campus 1a: examen 1

Total questions: 50

Worksheet time: 29mins

Name
Class
Date
1.

Arthur vertelt zijn pa dat hij morgen niet mee wil naar het familiefeest. Hij hoopt dat zijn pa het goed vindt, want hij heeft stiekem afgesproken met Anaïs, op wie hij een oogje heeft. Wie is de zender?

a)

Anaïs

b)

Arthur

c)

Arthurs pa

2.

Bekijk volgende afbeelding. Wie is de zender?

a)

de chauffeur

b)

de fietser

3.

Bekijk volgende afbeelding. Wat is de boodschap?

a)

Stap af om te praten.

b)

Ga opzij. Ik wil door.

c)

Hij krijgt plaats om door te rijden.

4.

Een jonge kerel, volledig in het zwart gekleed, verlaat de bank die hij net heeft overvallen. Hij vlucht te voet met de buit in zijn rugzak, maar hij wordt achtervolgd door twee agenten. Plots schiet een van de agenten tweemaal in de lucht … Wie is de zender?

a)

een jonge kerel

b)

agenten

c)

geen van deze antwoorden

d)

de bank

5.

De communicatie is geslaagd als ...

a)

de boodschap is aangekomen bij de ontvanger

b)

het kanaal juist gekozen is

c)

het effect overeenkomt met het doel

6.

Vul de zin aan met een begrip uit het communicatiemodel.

Degene die de boodschap overbrengt, is de ...

(a)  

7.

Vul de zin aan met een begrip uit het communicatiemodel.

Degene naar wie de boodschap wordt verstuurd, noemen we de ...

(a)  

8.

Vul de zin aan met een begrip uit het communicatiemodel.

De manier waarop informatie wordt overgebracht, noemen we het ...

(a)  

9.

Is de communicatie geslaagd?

a)

Ja

b)

Nee

10.

Wat is het onderwerp in deze zin?

Na Azië, Verenigde Staten en Londen is de selfieccino nu ook verkrijgbaar in België.

a)

Na Azië

b)

de selfieccino

c)

verkrijgbaar

d)

in België

11.

Wat is het onderwerp in deze zin?

Een man die onlangs een koffiebar in Antwerpen opende, maakte dit mogelijk.

a)

Een man

b)

Een man die onlangs een koffiebar in Antwerpen opende,

c)

een koffiebar

d)

Antwerpen

12.

Wat is het onderwerp in deze zin?

Willen jij en je vriendinnen op rij dertien in een vliegtuig zitten?

a)

Willen

b)

jij en je vriendinnen

c)

op rij dertien

d)

in een vliegtuig

13.

Iedere zondag komt de hele familie samen bij oma en opa om gezellig bij te babbelen.

Het onderwerp is:

a)

iedere zondag

b)

de hele familie

c)

oma en opa

d)

komt

14.

Anneke vertelde Marieke het geheim van haar broer.

Het onderwerp in deze zin is:

a)

Anneke

b)

Marieke

c)

het geheim van haar broer

d)

vertelde

15.

Gisteren was het mooi weer.

De persoonsvorm in deze zin is:

a)

gisteren

b)

was

c)

het

d)

mooi weer

16.

De kraag van de kraaghagedis dient als afschrikmiddel voor andere dieren.

Het onderwerp in deze zin is:

a)

de kraag

b)

afschrikmiddel

c)

andere dieren

d)

dient

e)

de kraag van de kraaghagedis

17.

Vanaf 1 meter diepte kan je de kikkervis al vinden.

Het onderwerp in deze zin is:

a)

vanaf 1 meter diepte

b)

kan

c)

je

d)

de kikkervis

18.

Wat doe je als je oriënterend leest? Duid alle juiste antwoorden aan.

a)

Je leest de titels en tussentitels.

b)

Je kijkt naar de illustraties.

c)

Je zoekt moeilijke woorden op in het woordenboek.

d)

Je denkt na over het onderwerp van de tekst.

e)

Je maakt een schema van de tekst.

19.

Welke bedoeling heeft de zender?

De zender wil de ontvanger ...

a)

informeren

b)

een verhaal vertellen

c)

de mening of gedachten beïnvloeden

d)

instructies geven

e)

zijn mening of standpunt geven

20.

Welke bedoeling heeft de zender?

De zender wil de ontvanger ...

Hier zijn meerdere antwoorden correct.

a)

informeren

b)

een verhaal vertellen

c)

de mening of gedachten beïnvloeden

d)

instructies geven

e)

zijn mening of standpunt geven

21.

Welke bedoeling heeft de zender?

De zender wil de ontvanger ...

a)

informeren

b)

een verhaal vertellen

c)

de mening of gedachten beïnvloeden

d)

instructies geven

e)

zijn mening of standpunt geven

22.

Welke bedoeling heeft de zender?

De zender wil de ontvanger ...

a)

informeren

b)

een verhaal vertellen

c)

de mening of gedachten beïnvloeden

d)

instructies geven

e)

zijn mening of standpunt geven

23.

Voor welk doelpubliek is deze affiche bestemd?

a)

kinderen

b)

jongeren

c)

volwassenen

24.

Voor welk doelpubliek is deze affiche bestemd?

a)

kinderen

b)

jongeren

c)

volwassenen

25.

Voor welk doelpubliek is deze affiche bestemd?

a)

kinderen

b)

jongeren

c)

volwassenen

26.

Noteer het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

Ik (vermoeden) dat je niet graag zwemt.

(a)  

27.

Noteer het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

Ik (vinden) sushi erg lekker.

(a)  

28.

Noteer het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

Tomas (besteden) weinig tijd aan zijn schoolwerk.

(a)  

29.

Noteer het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

(Branden) die kaars de hele dag?

(a)  

30.

Noteer het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

Tim (vieren) zijn verjaardag vandaag.

(a)  

31.

Noteer het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

(Rijden) jij morgen met mij mee?

(a)  

32.

Noteer het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

Waarom (antwoorden) je oma niet op dat bericht?

(a)  

33.

Noteer het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

(Worden) je ook gek van dat werkje?

(a)  

34.

Welk schooltaalwoord past best in deze zin?

Dit schilderij is ...: er is geen ander exemplaar.

a)

uniek

b)

uitgebreid

c)

verzonnen

d)

automatisch

e)

gesitueerd

35.

Welk schooltaalwoord past best in deze zin?

Ze bevonden zich in een moeilijke ...

a)

formulering

b)

situatie

c)

bewering

d)

instructie

e)

verantwoording

36.

Welk schooltaalwoord past best in deze zin?

Om deze appelcake te maken, moet je goed de ... volgen.

a)

formuleringen

b)

criteria

c)

beweringen

d)

instructies

e)

verantwoordingen

37.

Welk schooltaalwoord past best in deze zin?

Je moet eerst een boek uit de lijst ...

a)

formuleren

b)

informeren

c)

uitbreiden

d)

situeren

e)

selecteren

38.

Noteer een synoniem uit de lijst van de schooltaalwoorden.

buitengewoon, enig = ...

(a)  

39.

Noteer een synoniem uit de lijst van de schooltaalwoorden.

boeiend = ...

(a)  

40.

Noteer een antoniem (= tegengesteld woord) uit de lijst van de schooltaalwoorden.

beknopt <-> ...

(a)  

41.

Geef een synoniem voor het onderstreepte woord.

Ik voel me afgepeigerd.

(a)  

42.

Geef een synoniem voor het onderstreepte woord.

De leerkracht was furieus.

(a)  

43.

Geef een synoniem voor het onderstreepte woord.

De directeur zal jou straffen.

(a)  

44.

Geef een synoniem voor het onderstreepte woord.

Ga jij ook naar de tentoonstelling?

(a)  

45.

Geef een synoniem voor het onderstreepte woord.

In de winkelstraat wandelen we en bekijken we de etalages.

(a)  

46.

Geef een synoniem voor het onderstreepte woord.

Wil je dat eens herhalen?

(a)  

47.

Geef een synoniem voor het onderstreepte woord.

In de winkel kregen we een mooie korting.

(a)  

48.

Geef een synoniem voor het onderstreepte woord.

Blijf niet zo lang kijken naar die vrouw!

(a)  

49.

Geef een synoniem voor het onderstreepte woord.

Na die mop moesten we hard lachen.

(a)  

50.

Noteer een synoniem uit de lijst van de schooltaalwoorden.

de eis = het ...

(a)