wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Elektriciteit 4V

Total questions: 11

Worksheet time: 22mins

Name
Class
Date
1.

De geleidbaarheid van een draad hangt af van:

(meerdere antwoorden mogelijk)

a)

De dikte van de draad

b)

De lengte van de draad

c)

Het materiaal van de draad

d)

De isolator om de draad

2.

Om stroomdraden zit een plastic laag.

Waarom zit die laag er omheen?

a)

Omdat je anders je vingers verbrandt aan de hete stroomdraden

b)

Omdat je anders een elektrische schok krijgt

c)

Omdat elektrische stroom ook gemakkelijk door plastic kan stromen en er zodoende meer stroom kan lopen

d)

Om duidelijk aan te geven dat het een stroomdraad is.

3.

Je hebt de keuze uit een ledlamp van 5 watt en een van 15 watt.

Welke twee uitspraken zijn waar?

(Meerdere antwoorden goed)

a)

De lamp van 5 Watt verbruikt de minste energie

b)

De lamp van 5 Watt verbruikt de meeste energie

c)

De lamp van 15 Watt geeft het minste licht

d)

De lamp van 15 Watt geeft het meeste licht

4.

Zet de passende grootheid bij het juiste symbool

a)

Weerstand

1.

R

b)

Spanning

2.

Q

c)

Stroomsterkte

3.

I

d)

Lading

4.

U

5.

Zet de juiste grootheid bij de juiste eenheid

a)

Stroomsterkte

1.

Ampère (A)

b)

Weerstand

2.

Ohm (Ω)

c)

Lading

3.

Coulomb (C)

d)

tijd

4.

Secondes (s)

e)

Spanning

5.

Volt (V)

6.

Sleep het juiste symbool naar de juiste naam

a)
1.

Ampèremeter

b)
2.

Lampje

c)
3.

Weerstand

d)
4.

Schakelaar

e)
5.

Gelijkspannings-bron

7.

Wat trekt een negatieve lading aan?

a)

negatieve lading

b)

positieve lading

c)

beide

d)

geen van beide

8.

Wanneer kan er in een stroomkring stroom lopen? Er zijn twee goede antwoorden.

a)

Als je twee draden aan een spanningsbron aansluit

b)

Als er een spanningsbron in de stroomkring is

c)

Als de stroomkring gesloten is

d)

Als je een weerstand in de stroomkring plaatst.

9.

Ik draai 1 lampje uit deze schakeling. Wat gebeurt er met de andere 6 lampen?

a)

Alle lampjes gaan uit

b)

De andere 6 lampjes gaan allemaal iets harder branden

c)

Er gebeurt helemaal niets

d)

Alleen de lampjes die voor de lamp staan die eruit is gedraaid, werken nog.

10.
Met welke schakeling bepaal je spanning over het lampje en de stroomsterkte door het lampje?
a)

A

b)

B

c)

C

d)

D

11.

Een atoomkern bestaat uit ... en ...

(a)