wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

gaswisseling uitscheiding

Total questions: 252

Worksheet time: 2hrs 19mins

Name
Class
Date
1.
In de lucht die we uitademen zit
a)
meer zuurstof
b)
meer koolstofdioxide
c)
minder koolstofdioxide
d)
minder stikstof
2.
Welke doorsnede hoort bij een astma-aanval
a)
de linker
b)
de rechter
c)
allebei
d)
geen van twee
3.

Bij welk nummer of nummers vindt gaswisseling plaats?

a)

7 en 8

b)

1, 7 en 8

c)

1 en 5

d)

8

4.

Wat is de indicator voor CO2

a)

kalkwater

b)

jodium

c)

helder kalkwater

d)

Fehling A en B

5.

Welke pijl geeft de richting van CO2 aan?

a)

Q

b)

P

c)

2

6.
In je cellen wordt brandstof verbrand met behulp van zuurstof. Hierbij komt energie vrij.
Welke stof wordt er verbrand?
a)
Water
b)
Koolstofdioxide
c)
Energie
d)
Glucose
7.

Welk orgaan hoort niet bij het ademhalingsstelsel?

a)

slokdarm

b)

luchtpijp

c)

long

d)

bronchie

8.

Waar vindt de werkelijke gaswisseling plaats?

a)

longen

b)

longblaasje

c)

longader

d)

longslagader

9.

Wat is de functie van ademhalen?

(a)  

10.

Als je slikt, sluit de huig de ......... af.

a)

keelholte

b)

neusholte

c)

luchtpijp

d)

slokdarm

11.

Als je slikt, sluit het strotklepje de ...... af.

a)

keelholte

b)

neusholte

c)

luchtpijp

d)

slokdarm

12.

COPD is een verzamelnaam voor twee aandoeningen.

Welke aandoeningen worden aangeduid met COPD?

a)

Astma

b)

Chronische bronchitis

c)

longemfyseem

13.

Jeroen heeft soms een aanval van ernstige benauwdheid. Hij heeft dit vooral als er huisdieren in de buurt zijn. Na een tijdje gaat de benauwdheid over en kan hij weer normaal ademhalen.

Van welke aandoening heeft Jeroen waarschijnlijk last?

a)

Astma

b)

Chronische bronchitis

c)

Hooikoorts

d)

Longemfyseem

14.

Als je stopt met roken, kunnen je longen zich herstellen.

a)

Waar

b)

Niet waar

15.

Wat is 'long emfyseem'?

a)

Slappe en verwijde longblaasjes bij COPD

b)

Schade aan het strottenhoofd bij COPD

c)

Schade aan de keelholte

16.

COPD bestaat uit chronische bronchitis en longemfyseem.

a)

Antwoord is juist

b)

Antwoord is niet juist

17.

Hooikoorts is eveneens een longaandoening. De stelling hierbij: iedereen heeft altijd in de maand mei last van hooikoorts. Is dit waar of niet waar en waarom wel of niet.

a)

waar, in de maand mei zit er stuifmeel in de lucht

b)

waar, alleen in de maand mei zit er stuifmeel in de lucht

c)

niet waar, in alle maanden zit er stuifmeel in de lucht

d)

niet waar, mensen zijn gevoelig voor een bepaald type stuifmeel, dit kan vrijkomen op verschillende momenten van het jaar

18.

Door een astma-aanval kan

a)

er minder lucht door de bronchiën

b)

er meer lucht door de bronchiën

c)

er net zoveel lucht door de bronchiën als eerst

19.

Een hooikoorts-patiënt reageert op

a)

stuifmeel van insectenbloemen

b)

stuifmeel van windbloemen

c)

de geur van insectenbloemen

d)

de geur van windbloemen

20.

Wat zijn symptonen van een allergische reactie?

a)

Rode vlekken op huid

b)

Veel slijm aanmaken

c)

Opgezwollen ogen

d)

COPD krijgen

e)

Overgeven

21.

In deze grafiek staat de CO2 opname en afgifte van een plant gedurende de dag.

Welke stelling over het GROENE ("day") gedeelte is waar: daar is de:

a)

CO2 productie door assimilatie > CO2 opname bij dissimilatie

b)

CO2 productie door dissimilatie > CO2 opname bij assimilatie

c)

CO2 productie door assimilatie < CO2 opname door dissimilatie

d)

CO2 productie door dissimilatie < CO2 opname bij assimilatie

22.

wat is bij verbranding nodig

a)

zuurstof en glucose

b)

glucose, zuurstof en water

c)

zuurstof en water

d)

koolstofdioxide en water

23.

wat komt er vrij bij verbranding

a)

koolstofdioxide en water

b)

glucose en zuurstof

c)

koolstofdioxide en glucose

d)

water en glucose

24.

waar vindt verbranding plaats

a)

in eencellige dieren

b)

in dieren en planten

c)

in dieren en mensen

d)

in alle levende cellen

25.

wat is gaswisseling

a)

het in en uitademen van koolstofdioxide

b)

de lucht in je longen verversen

c)

het opnemen van zuurstof en het afgeven van koolstofdioxide

d)

het ademhalen via het middenrif en de buikwand

26.

het neusslijmvlies bestaat uit slijmproducerende cellen en trilhaarcellen

a)

waar

b)

niet waar

27.

wat is het doel van de neusharen

a)

ze produceren slijmvlies

b)

houden grote stofdeeltjes tegen

c)

houden zowel grote als kleine stofdeeltjes tegen

d)

brengen het slijm naar de keelholte door de golvende bewegingen

28.

kies de juiste volgorde van de inademing

a)

neusholte/mondholte-keelholte-strottenhoofd-luchtpijptakjes-bronchien-longblaasjes

b)

neusholte/mondholte-keelholte-strottenhoofd-luchtpijp-bronchien-longblaasjes

c)

neusholte-keelholte-strottenhoofd-luchtpijp-bronchien-luchtpijptakjes-longblaasjes

d)

neusholte/mondholte-keelholte-strottenhoofd-luchtpijp-bronchien-luchtpijptakjes-longblaasjes

29.

wat is het nut van slijmproducerende cellen

a)

produceren slijmvlies

b)

zowel grote als kleine stofdeeltjes tegenhouden

c)

kleine stofdeeltjes tegenhouden en ziekteverwekkers blijven kleven aan het slijm

d)

houden ziekteverwekkers tegen doordat ze blijven kleven aan het slijm

30.

bloedvaten in het neusslijmvlies zorgt ervoor dat de ingeademde lucht verwarmt wordt.

a)

juist

b)

onjuist

31.

de luchtpijp staat altijd open.

a)

juist

b)

onjuist

32.

wat zit er om de wand van de luchtpijp

a)

kraakbeenringen

b)

longhaarvaten

c)

slijmvlies

d)

tussenribspieren

33.

wat sluit de huig af

a)

de neusholte

b)

de luchtpijp

34.

wat sluit het strotklepje af

a)

de neusholte

b)

de luchtpijp

35.

wat zijn longhaarvaten?

a)

een dun vliesje die ziekteverwekkers tegen houd

b)

een netwerk van kleine bloedvaatjes om het longblaasje heen

c)

een netwerk van kleine bloedvaatjes om de longen heen

d)

een netwerk van kleine bloedvaatjes om de luchtpijptakjes heen

36.

slijmvlies zit in de binnenwand van....

a)

de luchtpijptakjes

b)

de neusholte

c)

de luchtpijp en de bronchiën

d)

de bronchien, luchtpijp en de luchtpijptakjes

37.

de wand van de longblaasjes bestaat uit 2 lagen cellen

a)

waar

b)

niet waar

38.

in de wand van de luchtpijptakjes zitten spieren die samentrekken als de luchtwegen geprikkeld worden door bijvoorbeeld kou/rook. hierdoor worden de luchtwegen nog wijder

a)

waar

b)

niet waar

39.

wat is borstademhaling

a)

ademhalen via het middenrif

b)

ademhalen dankzij bewegingen van de ribben en het borstbeen

c)

ademhalen via het middenrif en de buikwand

d)

ademhalen via het borstbeen

40.

wat is buikademhaling

a)

ademhalen via de ribben en het borstbeen

b)

ademhalen via het middenrif

c)

ademhalen via het middenrif en de buikwand

d)

ademhalen via het borstbeen

41.

hoe heten nummer 1 en 2

a)

tussenribspieren

b)

borstholte

c)

pees

d)

borstbeen

42.

bij buikademhaling gaat het middenrif omlaag en daarna..

a)

de borstholte wordt groter- de longen worden groter- er wordt lucht naar binnen gezogen

b)

de longen worden groter- de borstholte wordt groter- er wordt lucht naar binnen gezogen

c)

er wordt lucht naar binnen gezogen- de borstholte wordt groter- de longen worden groter

d)

er wordt lucht naar binnen gezogen- de longen worden groter- de borstholte wordt groter

43.

bij buikademhaling gaat het middenrif omhoog en daarna wordt de borstholte kleiner, vervolgens worden de longen kleiner en uiteindelijk wordt er lucht naar buiten geperst

a)

waar

b)

niet waar

44.

bij ademhaling gebruik je alleen borstademhaling

a)

waar

b)

niet waar

45.

bij astma zijn de bronchiën ontstoken

a)

juist

b)

onjuist

46.

wat gebeurt er bij een astma-aanval

a)

de spiertjes in de wand van de luchtwegen trekken samen

b)

het slijmvlies in de luchtwegen is verdikt

c)

de luchtwegen zijn ontstoken en door te veel lichamelijk inspanning kom je zuurstof te kort

d)

de spiertjes in de longblaasjes trekken samen

47.

een astma-aanval is vaak een reactie op prikkels

a)

juist

b)

onjuist

48.

bij borstademhaling trekken de tussenribspieren samen en daarna..

a)

ribben gaan omhoog en naar voren- borstholte wordt groter- longen worden groter- er wordt lucht naar binnen gezogen

b)

ribben gaan omhoog en naar voren- borstholte wordt groter- borstbeen gaat omhoog en naar voren- longen worden groter- er wordt lucht naar binnen gezogen

c)

ribben gaan omhoog en naar voren- borstbeen gaat omhoog en naar voren- borstholte wordt groter- longen worden groter- er wordt lucht naar binnen gezogen

d)

borstholte wordt groter- borstbeen gaat omhoog en naar voren- ribben gaan omhoog en naar voren- longen worden groter- er wordt lucht naar binnen gezogen

49.

wat is COPD

a)

de longen zijn beschadigd waardoor ademhalen moeilijker gaat

b)

een ongeneesbare ziekte

c)

een erfelijke ziekte

d)

een verzamelnaam voor chronische bronchitis en longemfyseem

50.

wat is een belangrijke oorzaak van COPD

a)

roken

b)

het is een erfelijke ziekte

c)

huisstofmijt

d)

stuifmeel

51.

wat is chronische bronchitis

a)

de wanden van de longblaasjes zijn beschadigd. (hierdoor wordt er minder zuurstof afgegeven aan het bloed)

b)

een verkoudheid

c)

de bronchiën zijn ontstoken waardoor er meer slijm wordt gemaakt. (hierdoor blijven de bronchiën vernauwd)

d)

de luchtwegen zijn verwijd

52.

wat is longemfyseem

a)

de bronchien zijn ontstoken waardoor er meer slijm wordt gemaakt (hierdoor blijven de bronchien vernauwd)

b)

de wanden van de longblaasjes zijn beschadigd. kapotte longblaasjes kunnen minder zuurstof afgeven aan het bloed

c)

de spiertjes in de wand van de luchtwegen trekken samen

53.

kapotte longblaasjes kunnen zich herstellen

a)

juist

b)

onjuist

54.

wat is hooikoorts

a)

mensen die er niet tegen kunnen wanneer hun slijmvlies in aanraking komt met stuifmeel

b)

een allergische reactie voor hooi

c)

een ziekte waarbij je koorts krijgt bij aanraking met stuifmeel

d)

een allergische reactie

55.

wat zijn reacties die optreden als je allergisch bent

a)

huiduitslag en gezwollen ogen

b)

branderig gevoel en opzwellingen

c)

jeuk

d)

ontstekingen

e)

niezen

56.

wat is een allergie

a)

reageert je afweersysteem van je lichaam heel sterk op een bepaalde stof

b)

reageert je afweersysteem van je lichaam amper op een bepaalde stof

57.

met hooikoorts kun je last hebben van:

a)

branderig of jeukend gevoel in de neus

b)

vaak niezen

c)

huiduitslag

d)

branderig of jeukend gevoel in de keel of ogen

e)

ontstekingen

58.

waarom verbranden koudbloedige dieren minder brandstoffen dan warmbloedige dieren

a)

Omdat ze minder bewegen

b)

omdat ze zich moeten opwarmen in de zon en daardoor minder verbranden

c)

omdat ze hun lichaamstempratuur niet op peil hoeven te houden

d)

omdat ze minder zuurstof nodig hebben

59.

wat zijn tracheeën

a)

openingen aan de zijkant van een insect waarbij ze hun ontlasting uitscheiden

b)

openingen aan de zijkant van een insect waarin lucht komt

c)

sterk vertakte luchtbuizen in het insectenlichaam

d)

vertakkingen van de luchtbuizen in een dier

60.

wat zijn stigma's

a)

openingen in het insectenlichaam waarbij ontlasting wordt uitgescheiden

b)

sterk vertakte luchtbuizen in het insectenlichaam

c)

via openingen aan de zijkant van het insectenlichaam komt lucht in de tracheeën

d)

vertakte luchtbuizen in een dier

61.

waarom maken sommige insecten met hun achterlijf een pompende beweging?

a)

zodat de lucht in de tracheeën word ververst

b)

vanwege een bedreiging tot dood

c)

omdat ze dan hun ontlasting aan het uitscheiden zijn

d)

vanwege het paarseizoen en ze hun partner verleiden

62.

bij welke van deze dieren vindt gaswisseling plaats via het celmembraan

a)

bij zoogdieren

b)

bij jonge amfibieën

c)

bij vissen

d)

bij insecten

e)

bij eencellige organismes

63.

waar bestaat de kieuw uit

a)

uit alleen een kieuwboog

b)

uit een kieuwdeksel, kieuwplaatje en de kieuwholte

c)

uit een kieuwplaatje en de kieuwholte

d)

uit een kieuwboog met daarop kieuwplaatjes

64.

via de huid nemen amfibieën zuurstof op uit de lucht en geven koolstofdioxide af

a)

juist

b)

onjuist

65.

waarmee is de huid van de amfibieën bedekt

(a)  

66.

hoe vindt gaswisseling plaats bij zoogdieren, vogels en reptielen

a)

via de tracheeën

b)

via de longen

c)

via het celmembraan

d)

via de kieuwen

67.

waar vindt gaswisseling plaats bij vissen en jonge amfibieën

a)

via de longen

b)

via de kieuwen

c)

via de tracheeën

d)

via het celmembraan

68.

waar vindt gaswisseling plaats bij insecten

a)

via de longen

b)

via de kieuwen

c)

via de tracheeën

d)

via het celmembraam

69.

Bij welk nummer of nummers vindt gaswisseling plaats

a)

7 en 8

b)

1, 7 en 8

c)

1 en 5

d)

8

70.

In de lucht die we uitademen zit

a)

meer zuurstof

b)

meer koolstofdioxide

c)

minder koolstofdioxide

d)

minder stikstof

71.

Wat hoort er bij de rechter afbeelding?

a)

ademhalen

b)

slikken

c)

verslikken

d)

doorslikker

72.

Wat zie je op nummer 9

a)

de bronciën

b)

de linkerlong

c)

de luchtpijp

d)

de luchtpijptakjes

73.

Bij welke van deze twee luchtwegen vindt een astma-aanval plaats?

a)

bij beide

b)

bij de linker

c)

bij de rechter

d)

bij geen van beide

74.

Welk longblaasje is gezond, en welk longblaasje is beschadigd?

a)

Longblaasje 2 is beschadigd en longblaasje 3 is gezond

b)

longblaasje 3 is beschadigd en longblaasje 2 is gezond

c)

Beide zijn beschadigd en niet gezond

d)

Beide zijn gezond en niet beschadigd

75.

Op welk nummer zi je het strottenhoofd

a)

nummer 2

b)

nummer 3

c)

nummer 7

d)

nummer 8

76.

Een vis ververst het water in de kieuwholte door: de bek gaat open en het water stroomt de mondholte in, de bek sluit en de mondbodem gaat omhoog, het water wordt in de kieuwholte geperst, water stroomt tussen de kieuwplaatjes door, zuurstof uit het water wordt opgenomen in het bloed en co2 wordt afgegeven aan het water, het water verlaat de vis doordat de kieuwdeksels open gaan, de kieuwdeksels gaan weer dicht en de bek weer open.

a)

dit proces klopt

b)

dit proces klopt niet

77.
In de lucht die we uitademen zit
a)
meer zuurstof
b)
meer koolstofdioxide
c)
minder koolstofdioxide
d)
minder stikstof
78.

Welke pijl geeft de richting van CO2 aan?

a)

Q

b)

P

c)

2

79.
Wat is juist?
a)
De huig sluit de luchtpijp af
b)
Het strotklepje sluit de luchtpijp af
c)
De huig sluit de neusholte en de luchtpijp af
d)
Het strotklepje sluit de neusholte en luchtpijp af
80.

Welke weg legt de ingeademde lucht af in het ademhalingsstelsel?

a)

neusholte-strottenhoofd-keelholte-luchtpijp-bronchie

b)
neusholte-bronchie-strottenhoofd-keelholte-luchtpijp
c)
neusholte-keelholte-strottenhoofd-luchtpijp-bronchie
d)
keelholte-neusholte-strottenhoofd-luchtpijp-bronchie
81.

Gaswisseling kan snel plaats vinden in de longblaasjes omdat?

a)

er een groot oppervlak is

b)

er een dikke wand is

c)

ze makkelijk glucose kunnen uitwisselen

d)

longblaasjes vochtig zijn

82.

Bij welk nummer of nummers vindt gaswisseling plaats?

a)

7 en 8

b)

1, 7 en 8

c)

1 en 5

d)

8

83.

wat zie je hier

a)

de longblaasjes

b)

de luchtpijp

c)

de bronchien

d)

de luchtpijptakjes

84.

Welk gas wordt er opgenomen in de longblaasjes?

a)

Stikstof

b)

Zuurstof

c)

Koolstofdioxide

85.

Bloed dat naar de longblaasjes toestroomt is ...

a)

Zuurstofarm

b)

Zuurstofrijk

c)

Het is gewoon bloed

86.
Welk gas heb ik nodig bij verbranding?
a)
koolstodioxide
b)
zuurtsof
c)
stikstof
d)
geen van de 3 genoemde
87.
Welke 2 stoffen komen altijd vrij bij de verbranding van een kaars?
a)
zuurstof en water 
b)
kaarsvet en koolstofdioxide
c)
water en koolstofdioxide
d)
water en zuurstof 
water en kaarsvet
88.
Waarom gaat het vlammetje van de kaars uit?
a)
De koolstofdioxide in het potje raakt op
b)
De zuurstof in het potje raakt op
c)
Het lontje is te kort
d)
Het kaarsvet raakt op
89.
Wat gebeurt er met het helder kalkwater tijdens dit proefje?
a)
het kalkwater verdwijnt
b)
het kalkwater gaat stinken
c)
het kalkwater doet niks
d)
het kalkwater wordt troebel
90.
Bij de mens wordt suiker (glucose) verbrand>
Welke vorm van energie komt er dan vrij
a)
Warmte en beweging
b)
warmte en licht
c)
licht en beweging
d)
alleen beweging
91.

Het precentage stikstof wat je in en uitademt is gelijk

a)

waar

b)

niet waar

92.

Wat is de stand van de huig en strottenklep bij inademen?

a)

open, open

b)

dicht,open

c)

open, dicht

d)

beide dicht beide dicht

93.

Waarmee begint de buikademhaling?

a)

Het samentrekken van de tussenribspieren

b)

Het samentrekken van het middenrif

c)

Het ontspannen van de tussenribspieren

d)

Het ontspannen van het middenrif

94.

1 longen worden groter

2 borstholte wordt groter

3 tussenribspieren trekken samen

4 lucht stroomt naar binnen

Wat is de goede volgorde?

a)

1-2-3-4

b)

4-1-3-2

c)

3-2-1-4

d)

3-1-2-4

95.

Waardoor is de luchtpijp zo stevig?

a)

Door de spieren

b)

Doordat er continu lucht doorheen stroomt

c)

Door de kraakbeenringen

d)

Doordat er bot omheen zit

96.

.(1).+water ---bladgroenkorrels---zonlicht---> glucose + .(2).

Wat moet op nr 1 en 2?

a)

1 zuurstof, 2 koolstofdioxide

b)

1 koolstofdioxide, 2 zuurstof

c)

1 kaarsvet, 2 energie

d)

1 glucose, 2 energie

97.

.(1).+water ---bladgroenkorrels---zonlicht---> glucose + .(2).

Welke formule is dit?

a)

Verbranding in een organisme

b)

Verbranding van een kaars

c)

Fotosynthese

98.

Waar word glucose afgebroken?

a)

Mitochondriën

b)

Bladgroenkorrels

99.

Waarom bevatten spieren die veel gebruikt worden of die zwaar werk moeten verrichten (zoals beenspieren) meer mitochondriën ?

a)

In deze spieren vind weinig verbranding plaats

b)

In deze spieren vind veel verbranding plaats

100.

In afbeelding 4 zie je vijf reageerbuizen met daarin planten en/of dieren. Alleen buis 5 staat in het donker, alle andere buizen staan in het licht.


In welke buis zit na een aantal uren het minste koolstofdioxide?

a)

Buis 1

b)

Buis 2

c)

Buis 3

d)

Buis 4

e)

Buis 5

101.

Door te sporten of te zingen krijg je sterkere ademhalingsspieren.

a)

Waar

b)

Niet waar

102.

Welke stof in een sigaret zorgt voor een vertraagde gaswisseling?

a)

Koolstofmonoxide

b)

Teer

c)

Nicotine

d)

Tabak

103.

Welke stof in een sigaret is verslavend en verhoogt de bloeddruk?

a)

Teer

b)

Koolstofmonoxide

c)

Nicotine

d)

Tabak

104.

De ....vervoert O2 rijk bloed naar de lever

a)

Poortader

b)

Leverslagader

c)

Leverader

d)

Leverlymfe

105.

Welk bloedvat hieronder vervoert voedingsstofrijk bloed naar de lever?

a)

Nierslagader

b)

Leverader

c)

Poortader

d)

Darmslagader

106.

Wat is een leverlob?

a)

Leverweefsels die samenwerken

b)

Levercellen die O2 rijk bloed vervoeren

c)

Levercellen die samenwerken

d)

Leverorganen die samenwerken

107.

Waarom heb je ijzer nodig in je lichaam?

a)

Voor mineralen aanmaak

b)

Om te ademen

c)

Om bilirubine te maken

d)

Om Hb te maken

108.

Welke is niet waar

a)

Bilirubine is een voedingsrijke afvalstof

b)

Bilirubine is een afvalstof en bevat Hb

c)

Bilirubine ontstaat in de lever

d)

Bilirubine gaat via de galwegen uit de lever

109.

Wat zit nog meer in bilirubine?

a)

Galzure zouten

b)

Vet

c)

Koolhydraten

d)

Slijm

110.

Kees heeft pijn in zijn rechter onderbuik. Hij heeft galstenen. Wat zijn dat?

a)

Verkalkt bloed

b)

Verdikt gal

c)

Verdikt vet

d)

Verdikte voedingsstoffen

111.

De galblaas knijpt het gal naarbuiten, waar komen de galwegen in uit?

a)

Maag

b)

Dikke darm

c)

12-vingerige darm

d)

Dunne darm

112.

Gal verdeelt vet in kleine druppels. Dit is een voorbeeld van:

a)

Vermenging

b)

Osmose

c)

Diffusie

d)

Emulsie

113.

Koolhydraten worden afgebroken door enzym:

a)

Lipase

b)

Amylase

c)

Maltose

d)

Peptidase

114.

Koolhydraten worden opgeslagen in de lever in de vorm van

a)

Glucagon

b)

Glucose

c)

Glycogeen

d)

Glucase

115.

Welk enzym breekt geen eiwit af?

a)

Lipase

b)

Trypase

c)

Peptase

d)

Peptidase

116.

Sommige aminozuren kun je niet zelf maken, maar uit voeding opnemen. Deze noem je:

a)

Optimale eiwitten

b)

Optimale aminozuren

c)

Essentiële aminozuren

d)

Niet-essentiële aminozuren

117.

Bij afbraak aminozuren ontstaat

a)

Maltose

b)

Ureum

c)

Glucagon

d)

Bilirubine

118.

Naast opslag heeft de lever de volgende functie:

a)

Aanmaak voedingsstoffen: Kapotte voedingsstoffen eruit halen en repareren

b)

Gaswisseling: Co2 uit het bloed halen en O2 in het bloed pompen

c)

Waterregulatie: Reabsorptie water uit bloed

d)

Ontgiften: Medicijnen en alcohol uit het bloed halen

119.

Met welk woord geef je het opnemen van zuurstof en het afgeven van koolstofdioxide aan?

Ademhaling. Gaswisseling.

a)

Ademhaling

b)

Gaswisseling

120.

Met welk woord geef je het verversen van lucht in de longen aan?

a)

Ademhaling

b)

Gaswisseling

121.

Met welke organen haalt dit dier adem?

a)

Longen

b)

Kieuwen

c)

Tracheeën

122.

Met welke organen haalt dit dier adem?

a)

Longen

b)

Kieuwen

c)

Tracheeën

123.

Met welke organen haalt dit dier adem?

a)

Longen

b)

Kieuwen

c)

Tracheeën

124.

Met welke organen haalt dit dier adem?

a)

Longen

b)

Kieuwen

c)

Tracheeën

125.

Met welke organen haalt dit dier adem?

a)

Longen

b)

Kieuwen

c)

Tracheeën

126.

Met welke organen haalt dit dier adem?

a)

Longen

b)

Kieuwen

c)

Tracheeën

127.

Wat is de naam van nummer 3?

a)

Lunchpijp

b)

Slokdarm

c)

Keelholte

d)

Luchtpijp

128.

Wat is de functie van nummer 5?

a)

Longen

b)

Gaswisseling

c)

vervoeren van lucht

d)

CO2 afgeven

129.

Wat is de naam van nummer 2?

a)

Neusholte

b)

Bronchie

c)

Mondholte

d)

Vervoeren van lucht

130.

Wat is de naam van nummer 7?

a)

Neusholte

b)

Helpen bij ademhaling

c)

Mondholte

d)

Middenrif

131.

Aan wat wordt zuurstof afgegeven in de longen?

a)

Bloedplaatje

b)

Bloed

c)

CO2

d)

Rode bloedcel

132.

Hib is de afkorting van de naam van een bacterie die bij mensen kan voorkomen in de slijmvliezen van de luchtwegen. Soms dringt deze bacterie verder het lichaam in. Er kunnen dan verschillende ziekteverschijnselen optreden. Een van die verschijnselen is dat het strotklepje opzwelt.


Waardoor kan een opgezwollen strotklepje ademhalingsproblemen veroorzaken?

a)

Door afsluiting van de keelholte

b)

Door afsluiting van de luchtpijp

c)

Door afsluiting van de neusholte

133.

Hoe kun je de aanwezigheid van CO2 in uitgeademde lucht aantonen?

a)

Met jodium(jood)

b)

Met kalkwater

c)

Met een O2 meter

d)

Door een verbrandingsproefje

134.

Wat is kalkwater en jodium?

a)

Indicator

b)

Perforator

c)

Edelgassen

d)

Stabilisator

135.

Op welke manier zijn de ribben verbonden met de borstwervels?

a)

Door kraakbeen

b)

Door gewrichten

136.

Welk orgaan wordt met de letter R aangegeven?

a)

Long

b)

Middenrif

c)

Rib

d)

Borstbeen

137.

Welke tekening geeft de hond weer tijdens inademing?

a)

Tekening 1

b)

Tekening 2

138.

Bij welke weersverwachting krijgen hooikoortspatiënten het advies om binnen te blijven?

a)

Bij een zonnige warme dag, met weinig wind.

b)

Bij een overwegend bewolkte dag met weinig wind

c)

Bij een regenachtige dat met weinig wind.

139.

Met welke letter is een luchtpijptakje aangegeven?

a)

Letter P

b)

Letter Q

c)

Letter R

140.

Welk gas heb ik nodig bij verbranding?

a)

koolstodioxide

b)

zuurstof

c)

stikstof

d)

geen van de 3 genoemde

141.
Wat is een indicator?
a)
Een stof waar iets inzit
b)
Een orgaan
c)
Een stof waarmee ik een andere stof aantoon
d)
Een stof waarmee ik een andere stof weg krijg
142.
Wat kan ik aantonen met helder kalkwater?
a)
zuurtsof
b)
stikstof
c)
koolstodioxide
d)
helium
143.
Wat is waar?
a)
In uitgeademde lucht zit meer zuurstof dan ingeademde lucht
b)
in ingeademde lucht zit meer koolstofdioxide dan uitgeademde lucht
c)
In ingeademde lucht zit meer zuurstof dan uitgeademde lucht
d)
In ingeademde lucht zit evenveel zuurstof als uitgeademde lucht
144.
Welke weg ,legt de ingeademde lucht af in het ademhalingsstelsel?Wat is het juiste antwoord?
a)
Neusholte-strottenhoofd-keelholte-luchtpijp-bronchie
b)
neusholte-bronchie-strottenhoofd-keelholte-luchtpijp
c)
neusholte-keelholte-strottenhoofd-luchtpijp-bronchie
d)
keelholte-neusholte-strottenhoofd-luchtpijp-bronchie
145.
Welke rol spelen enzymen bij vertering?
a)
Ze knippen voedingsstoffen in kleine stukken
b)
Ze bouwen nieuwe cellen met de voedingsstoffen
c)
Ze brengen de voedingsstoffen uit je voedsel naar de organen
d)
Ze gebruiken de energie in voedingsstoffen
146.
Sara verslikt zich in een beschuit. Ze moet flink hoesten om de kruimels kwijt te raken. Welk onderdeel heeft zijn taak niet goed uitgevoerd?
a)
Huig
b)
Strotklepje
147.
Sven en Oscar houden zo lang mogelijk hun adem in.
Wordt het koolstofdioxidegehalte in hun bloed daardoor groter of kleiner?
a)
Groter
b)
Kleiner
148.
Waar gaat deze afbeelding over?
a)
peristaltische beweging
b)
opnemen van voedingsstoffen
c)
darmbacteriën
d)
uitscheiden
149.
Nummer 11 is de
a)
blinde darm
b)
dikke darm
c)
12-vingerige darm
d)
dunne darm
150.
Nummer 9 is de
a)
slokdarm
b)
maag
c)
12-vingerige darm
d)
dunne darm
151.
Nummer 8 is de
a)
lever
b)
maag
c)
alvleesklier
d)
galblaas
152.

Hier wordt de voedselbrij ingedikt.

a)

Dikke darm

b)

Dunne darm

c)

Twaalfvingerige darm

153.

De weg van het voedsel is:

a)

Mond, maag, dunne darm, dikke darm, 12-vingerige darm, endeldarm, anus

b)

Mond, dunne darm, maag, dikke darm, anus, 12-vingerige darm, endeldarm, slokdarm

c)

Mond, Slokdarm, maag, 12-vinherige darm, dunne darm, dikke darm, endeldarm, anus

d)

anus, endeldarm, dikke darm, dunne darm, 12-vingerige darm, maag, slokdarm, mond

154.
Welke voedingsstof is opgebouwd uit aminozuren?
a)
Koolhydraten
b)
Eiwitten
c)
Vetten
d)
Vitamines
155.
Glucose (monosacharide) uit een klontje suiker
a)
Wordt verteerd
b)
Hoeft niet verteerd te worden
c)
Kunnen we niet verteren
156.
De vitamines en mineralen aanwezig in een banaan
a)
Wordt verteerd
b)
Hoeft niet verteerd te worden
c)
Kunnen we niet verteren
157.
Dit doodt bacteriën. 
a)
Alvleessap
b)
Gal
c)
Maagzuur
d)
Darmsap
158.
Herbivoren hebben een lang darmkanaal in verhouding tot hun lichaamslengte
a)
Juist
b)
Onjuist
159.
Plantaardig voedsel is makkelijker verteerbaar dan dierlijk voedsel
a)
Juist
b)
Onjuist
160.

Bij welk nummer of nummers vindt gaswisseling plaats?

a)

7 en 8

b)

1, 7 en 8

c)

1 en 5

d)

8

161.

Welke pijl geeft de richting van CO2 aan?

a)

Q

b)

P

c)

2

162.

Met welk nummer wordt de urinebuis aangegeven?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

163.

Uitscheidingsorganen: welk van de onderstaande antwoorden hoort hier niet tussen?

a)

Huid

b)

Darmen

c)

Nieren

d)

Maag

164.

Om de nieren zit bindweefsel met daaromheen een dikke laag vetweefsel. Wat is de functie hiervan? 2 antwoorden zijn goed.

a)

Ter bescherming

b)

Om de nieren op hun plaats te houden

c)

Toevoeren van voedingsstoffen

d)

Afvoeren van afvalstoffen

165.

Wat betekent resorptie?

(a)  

166.

De nieren hebben invloed op? Meerdere antwoorden zijn goed.

a)

Zout- en waterhuishouding

b)

Afvoeren van afvalstoffen

c)

Reguleren van de zuurgraad van het bloed

d)

Resorptie van nuttige stoffen

167.

Zuurgraad: De huid heeft ongeveer een PH waarde van tussen de 5 en de 5,8. Speeksel heeft een waarde tussen de 7 en 7,1. Welke van de 2 is zuurder?

(a)  

168.

Wat wordt aangegeven met nummer 1?

(a)  

169.

Wat wordt aangegeven met nummer 2?

(a)  

170.

Wat wordt aangegeven met nummer 4?

(a)  

171.

Wat wordt aangegeven met nummer 5?

a)

Nierbekken

b)

Nierpoort

c)

Nierkapsel

d)

Nierschors

172.

Welk van de volgende antwoorden hoort bij de onderstaande omschrijving?

Gespikkeld weefsel dat gevormd wordt door:

- kluwentjes bloedvaten

- kleine filtersystemen

a)

Niermerg

b)

Nierschors

c)

Nierpoort

d)

Nierbekken

173.

Wat wordt aangegeven met nummer 1?

a)

Kapsel van Bowman

b)

Glomerulus

c)

Lus van Henle

d)

Tubulus

174.

In de normale samenstelling bestaat urine uit:

- ureum en urinezuur (afvalstoffen van de eiwitverbranding)

- zouten

Welke 2 antwoorden horen nog meer in dit rijtje?

a)

10% water

b)

Bloed

c)

Overtollige en schadelijke stoffen

d)

95% water

175.
Hoe heet nummer 1?
a)
nierbekken
b)
nierschors
c)
niermerg
d)
uirineleider
176.
Hoe heet nummer 2?
a)
nierbekken
b)
nierschors
c)
niermerg
d)
uirineleider
177.

De nieren horen bij het ....... stelsel

a)

verteringsstelsel

b)

verbrandingsstelsel

c)

urinestelsel

d)

uitscheidingsstelsel

178.

Wat is uitscheiding?

a)

een verschil maken

b)

afvalstoffen worden uit het bloed gehaald en uit het lichaam verwijdert

c)

water wordt uit het bloed gehaald

d)

afvalstoffen worden uit het water gehaald en uit het lichaam verwijdert

179.

Waar bestaat urine uit?

a)

water

b)

gele stoffen

c)

overtollige zouten

d)

schadelijke stoffen

e)

suikers

180.

Wat zijn de zuiveringsinstallaties van je lichaam?

a)

lever en maag

b)

lever en nieren

c)

maag en nieren

d)

lever, maag en nieren

181.

Voert de urinebuis urine van de nieren naar de urineblaas?

a)

ja

b)

nee

182.

Wat is de functie van de nierbekken?

a)

filteren van het bloed

b)

filteren van urine

c)

verzamelen van urine

183.

Voert de urinebuis urine van de nieren naar de urineblaas?

a)

ja

b)

nee

184.

Wat zijn de zuiveringsinstallaties van je lichaam?

a)

lever en maag

b)

lever en nieren

c)

maag en nieren

d)

lever, maag en nieren

185.

Wat doet glucose met je lichaam?

a)

Maakt je slaperig

b)

Geeft energie

c)

Activeert de maag

d)

Gaat naar de alvleesklier

186.

In urine zitten alleen maar afvalstoffen

a)

Waar, want dat komt door filtratie

b)

Waar, want water is weer opgenomen

c)

Niet waar, het bevat ook bloed

d)

Niet waar, het bevat ook overtollig water

187.

Urine verlaat het lichaam door de:

a)

Urineleider

b)

Urinebuis

c)

Blaas

d)

Nier

188.

Welke afvalstof haalt dit orgaan uit je bloed?

a)

zuurstof

b)

koolstofdioxide

c)

alcohol

d)

zouten

189.

Welke afvalstof haalt dit orgaan uit je bloed?

a)

zuurstof

b)

koolstofdioxide

c)

alcohol

d)

zouten

190.

Welke organen zijn uitscheidingsorganen?

a)

huid

b)

lever

c)

endeldarm

d)

hart

191.

Welke organen zijn uitscheidingsorganen?

a)

nieren

b)

longen

c)

neusslijmvlies

d)

tong

192.

Je blaas is verbonden met je nieren via de

a)

urinebuis

b)

nierslagader

c)

urineleider

d)

nierader

193.

Wat is GEEN gezonde gewoonte?

a)

Ontspannen

b)

Sporten

c)

's nachts gamen

d)

Een appel eten

194.

In sigaretten vind je koolmonoxide

a)

Juist

b)

Onjuist

195.

Je lichaam probeert zichzelf niet constant te houden

a)

Juist

b)

Onjuist

196.

1.Via de nierslagaders komt bloed met afvalstoffen in de nieren

a)

Juist

b)

Onjuist

197.

Alcohol is een ......... middel. (Vul het juiste in)

a)

Stimulerend

b)

Verslavend

c)

Bewustzijnveranderend

d)

Verdovend

198.

Wat zal er gebeuren als de nieren niet goed meer werken?

a)

De hoeveelheid afvalstoffen zal gaan toenemen in je bloed.

b)

Je zal je beter gaan voelen omdat er meer water in je lichaam blijft.

c)

De hoeveelheid glucose in je bloed zal toenemen

d)

Je gaat je slecht voelen door de hoeveelheid koolstofdioxide die in je bloed achterblijft.

199.
In de lever wordt ... opgeslagen.
a)
Glycogeen
b)
Vet
c)
Water
d)
Bloed
200.
Insuline zet ... om in ...
a)
Glycogeen om in glucagon.
b)
Glycogeen om in glucose.
c)
Glucose om in glycogeen.
d)
Glucagon om in glycogeen.
201.
Glucagon zet ... om in ..
a)
Glucose om in glycogeen.
b)
Glycogeen om in glucose.
c)
Glucose om in glycogeen.
d)
Glycogeen om in glucagon.
202.

Via welke organen kunnen we stoffen opnemen in het inwendig milieu?

a)

longen

b)

huid

c)

nieren

d)

darmen

203.
Hoe heet nummer 1?
a)
nierbekken
b)
nierschors
c)
niermerg
d)
uirineleider
204.
Hoe heet nummer 2?
a)
nierbekken
b)
nierschors
c)
niermerg
d)
uirineleider
205.

In de spieren is een voorraad brandstof opgeslagen, die bij inspanning kan worden gebruikt.

In welke vorm is brandstof in spieren opgeslagen?

a)

In de vorm van glucose

b)

In de vorm van glycogeen

c)

In de vorm van zetmeel

206.

Met welke letter wordt het niermerg aangegeven?

a)

P

b)

Q

c)

S

d)

U

207.

Eén van de stoffen die door het bloed uit de lever worden afgevoerd, is ureum. Ureum is een afvalstof die ontstaat als de lever eiwitten afbreekt.


Door welk orgaan of door welke organen wordt ureum uitgescheiden?

a)

Door de endeldarm

b)

Door de galblaas

c)

Door de lever

d)

Door de nieren

208.
Uit welke twee lagen bestaat de opperhuid?
a)
opperhuid en kiemlaag
b)
hoornlaag en opperhuid
c)
hoornlaag en kiemlaag
d)
kiemlaag en lederhuid
209.

Welk nummer is de zweetklier

a)

6

b)

3

c)

8

d)

5

210.
Het drukzintuig is een onderdeel van de huid.
a)
Juist
b)
Onjuist
211.

Hoe heten de hoornlaag en de kiemlaag samen?

a)

Lederhuid

b)

Opperhuid

c)

Onderhuids bindweefsel

212.

Welke functie heeft talg?

a)

Droogt de huid en het haar uit, voorkomt dat het haar vet wordt

b)

Het is vettig en houdt de huid met haren soepel

213.

Als je het warm krijgt worden de bloedvaten:

a)

wijder, er stroomt meer bloed door de bloedvaten. Daardoor geeft het bloed meer warmte af aan de huid en koel je af.

b)

Nauwer, er stroomt meer bloed door de bloedvaten. Daardoor geeft het bloed meer warmte af aan de huid en koel je af.

214.

Welke bloedgroep wordt ook de universele ontvanger genoemd? (kan van alle groepen bloed ontvangen)

a)

bloedgroep A

b)

bloedgroep B

c)

bloedgroep AB

d)

bloedgroep 0

215.

Welke bloedgroep wordt ook de universele donor genoemd? (kan van alle groepen bloed geven)

a)

bloedgroep A

b)

bloedgroep B

c)

bloedgroep AB

d)

bloedgroep 0

216.

Iemand laat een blijvende tatoeage zetten. De wondjes die hierdoor ontstaan gaan bloeden.


Welke laag is of welke lagen zijn beschadigd?

a)

Alleen de hoornlaag

b)

De hoornlaag en de kiemlaag

c)

De hoornlaag, kiemlaag en de lederhuid

d)

De hoornlaag, kiemlaag, lederhuid en het onderhuids bindweefsel

217.

wat is het uitwendig milieu

a)

de omgeving om je heen

b)

de weefselvloeistof in je lichaam vormt een geheel en het bloedplasma

c)

de lucht in je longen en de inhoud van je darmkanaal

d)

het onderhuidse bindweefsel

218.

wat is het inwendig milieu

a)

weefselvloeistof in je lichaam vormt een geheel het bloedplasma

b)

de lucht in je longen en de inhoud van je darmkanaal

c)

het onderhuidse bindweefsel

d)

de omgeving om je heen

219.

hoe wordt voorkomen dat dat het inwendig milieu een tekort aan de stoffen krijgt van buiten het inwendig milieu?

a)

de cellen produceren zelf hun benodigde stoffen

b)

door opname van stoffen uit het uitwendig milieu

c)

het inwendig milieu krijgt geen tekort aan stoffen

d)

organen scheiden een te veel van afvalstoffen uit zodat het inwendig milieu weer hun benodigde stoffen kan produceren

220.

wat kan het inwendig milieu doen als er te veel van een stof aanwezig is?

a)

opslaan

b)

uitscheiden

c)

meer opnemen

221.

een constant inwendig milieu ontstaat door...?

a)

opname van stoffen

b)

opslag van stoffen

c)

uitscheiding van stoffen

d)

de verdeling van de warmte in je lichaam

222.

benoem twee uitscheidingsorganen

(a)  

223.

welke hormonen houden het glucosegehalte van het bloed min of meer constant?

(a)  

224.

in de lever wordt glucose omgezet in...?

(a)  

225.

welk plasma-eiwit kan de lever vormen?

a)

glycogeen

b)

glucose

c)

fibrinogeen

d)

hemoglobine

226.

waar vindt de uitscheiding plaats van urine

a)

nierschors

b)

nierbekken

c)

niermerg

d)

urineleider

227.

waar wordt urine verzameld

a)

nierbekkens

b)

nierschors

c)

niermerg

d)

urineblaas

228.

verlaat de urine zich uit het lichaam via de urineleider of de urinebuis

a)

urinebuis

b)

urineleider

229.

welke kleur heeft het urine als je veel hebt gedronken?

a)

donker geel

b)

licht geel

c)

licht rood

d)

geel met een lichte schuimlaag

e)

donker rood

230.

waar wordt urine tijdelijk opgeslagen

a)

urinebuis

b)

urineblaas

c)

nierbekkens

d)

niermerg

e)

nierschors

231.

uit welke 2 lagen bestaat de opperhuid?

(a)  

232.

wat is de goede volgorde

a)

lederhuid, opperhuid en onderhuids bindweefsel

b)

opperhuid, onderhuis bindweefsel en de lederhuid

c)

onderhuids bindweefsel, lederhuid en de opperhuid

d)

opperhuid, lederhuid en onderhuids bindweefsel

233.

waaruit bestaat de hoornlaag

a)

dode cel resten

b)

verhoornde cel resten

c)

levende cellen

d)

kiemlaag cellen

234.

waar beschermt de hoornlaag het lichaam tegen?

a)

beschadigingen

b)

uitdrogingen

c)

infecties

d)

warmteverlies

235.

hoe noem je een extra dikke hoornlaag?

(a)  

236.

hoe heet nummer 7?

(klik op de afbeelding voor verduidelijking)

a)

onderhuids bindweefsel

b)

pijnpunt

c)

zweetklier

d)

zenuw

e)

pijnzintuig

237.

hoe heet nummer 6?

(klik op de afbeelding voor verduidelijking)

a)

vetcellen

b)

onderhuis bindweefsel

c)

bloedvat

d)

haarzakje

e)

haarspiertje

238.

hoe heet nummer 8?

(klik op de afbeelding voor verduidelijking)

a)

vetcellen

b)

haarspiertje

c)

bloedvat

d)

zenuw

e)

tastknopje

239.

hoe heet nummer 9?

(klik op de afbeelding voor verduidelijking)

a)

vetcellen

b)

bloedvat

c)

haarzakje

d)

drukzintuig

e)

zenuw

240.

hoe wordt de bovenste laag van je huid aangevuld

a)

dat gebeurt niet, omdat je huid niet slijt

b)

doordat de kiemlaag zich voortdurend deelt en hierdoor komen steeds nieuwe kiemlaagcellen erbij

c)

doordat de kiemlaagcellen doodgaan en een laag vormen

d)

vanuit de onderste laag het onderhuids bindweefsel

241.

waar dient het vet voor in het onderhuidse bindweefsel?

a)

als reservevoedsel

b)

om stoffen op te nemen

c)

als isolerende laag

d)

als beschermende laag

242.

wat is talg?

a)

het vocht dat vrijkomt als je zweet

b)

een vettige stof die het haar en de hoornlaag soepel houden

c)

een vettige stof die de hoornlaag soepel houdt

d)

verdampt vocht dat vrijkomt zodat het lichaam afkoelt

243.

hoe noem je de stoffen die niet in je lichaam thuishoren?

a)

ziekteverwekkers

b)

lichaamsvreemdestoffen

c)

infectie

d)

tuberculose

e)

antistoffen

244.

welke ziekteverwekkers kunnen je lichaam binnen dringen met een infectie?

a)

schimmels

b)

bacteriën

c)

virussen

d)

dieren

245.

wanneer heb je koorts?

a)

als je lichaamstempratuur stijgt

b)

als je lichaamstempratuur daalt

c)

als antistoffen je lichaam binnen treden

d)

als lichaamsvreemde stoffen je lichaam verlaten

246.

welke soort bescherming is het?

opperhuid

a)

algemene afweer

b)

specifieke afweer

c)

natuurlijke immuniteit

d)

actieve immunisatie

e)

passieve immunisatie

247.

Als iemand door een ongeval of een operatie veel bloed verliest krijgt hij bloed toegediend hoe noemen we dat?

(a)  

248.

Wat houd een auto-immuunziekte in?

a)

Het afweersysteem herkent de lichaamseigen eiwitten niet meer en vernietigd deze

b)

Het afweersysteem herkent de eiwitten van de donor niet en vernietigd deze.

c)

Het lichaam gaat antistoffen aanmaken tegen de eiwitten die op het weefsel of organen van de donor zitten.

249.

Iemand met slechte nieren heeft wekelijks een nierdyalise.

Deze persoon haar nieren zijn dusdanig aangetast dat ze niet meer goed functioneren.

Om weer normaal te kunnen leven wordt een transplantatie aangeraden. Wat houd dit in?

a)

Er wordt door een bloedtransfusie bloed toegediend dit bloed is van iemand van dezelfde bloedgroep. Deze persoon is gezond en de nieren functioneren goed. Hierdoor zullen de nieren van de patiënt weer goed gaan functioneren.

b)

Er wordt door een operatie de nieren van de patiënt verwijdert. Dit zal vervangen worden door de nieren van een gezond persoon die verwant is.

250.

Wat gebeurd er bij een afstotingsreactie?

a)

Het lichaam gaat antistoffen maken tegen antigenen

b)

Het bloed gaat samenklonteren

251.

Welke functie heeft de lever?

a)

vorming gal

b)

afbreken afvalstoffen

c)

uitscheiden van ureum

d)

zuiveren van het bloed

252.

De lever breekt overtollige eiwitten af. Hierbij ontstaat een giftige stof. Hoe noemen we deze stof?

(a)