wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

taalbeschouwing havo 1

Total questions: 48

Worksheet time: 30mins

Name
Class
Date
1.

"Daar draai ik mijn hand niet voor om"

a)

Lettterlijk

b)

figuurlijk

2.

"Dat zuig je uit je duim!"

a)

Lettterlijk

b)

figuurlijk

3.

"Ik stootte mijn neus bij het veterstrikken"

a)

Lettterlijk

b)

figuurlijk

4.

"Je hebt toch geen ogen in je rug?"

a)

Lettterlijk

b)

figuurlijk

5.

Moord en (a)   schreeuwen.

6.

In geuren en (a)   een verhaal vertellen.

7.

Met vlag en (a)   slagen

8.

Voor spek en (a)   meedoen aan het spel.

9.

Dat gaat mij boven de pet!

betekent:

a)

Dat snap ik niet.

b)

Dat is mij te moeilijk.

c)

Het is een vogel.

d)

Dat snap ik!

10.

Iemand in de brand helpen.

a)

Dit is geen uitdrukking.

b)

"in" moet "uit" zijn

c)

"brand" moet "hens" zijn.

d)

"Iemand" moet "Niemand" zijn.

11.

Kinderen die vragen, worden.........

a)

Ingeslagen

b)

opgeslagen

c)

doorgeslagen

d)

overgeslagen

12.

Aan de lopende (a)   voldoendes halen

13.

Een ........ in het ............ maakt .......... sprongen

a)

poes

water

gekke

b)

kat

nauw

rare

c)

kad

nouw

raare

d)

olifant

porseleinkastje

gevaarlijke

14.

Een ...................... maandag

is heel ....................

a)

blauwe

even

b)

bruine

moeilijk

c)

gele

lang

d)

groene

veilig

15.

te (a)   en te onpas

16.

"Tegen heug en meug"

is .............rijm

en betekent

..............................

a)

eind

met tegenzin

b)

begin

graag

c)

tussen

neus en lippen

d)

alliteratie

zonder schaamte

17.

Zonder (a)   of blozen

18.

Melk is goed voor .............................

behalve voor .....................

want die ................. er van

a)

elk

Jan

piest

b)

Piet

zijn vader

walgt

c)

iedereen

Peter

walgt

d)

Niemand

Tessa

houdt

19.

"Op zolder zit een spook"

a)

Een typisch geval van beginrijm of alliteratie

b)

Duidelijk een kwestie van eindrijm.

c)

Echt een vorm van klinkerrijm

d)

ik ben bang.

20.

"Het spook krast op de kast"

a)

Een typisch geval van eindrijm

b)

Duidelijk een kwestie van eindrijm.

c)

Echt een vorm van klinkerrijm

d)

ik ben bang.

21.

"Ik blijf liever hier"

a)

Een typisch geval van eindrijm

b)

Duidelijk een kwestie van eindrijm.

c)

Echt een vorm van klinkerrijm

d)

ik ben bang.

22.

Zo glad als een ....................

a)

aal

b)

ezel

c)

kwartel

d)

duif

23.

Zo doof als een ....................

a)

aal

b)

ezel

c)

kwartel

d)

duif

24.

Zo grijs als een ....................

a)

aal

b)

ezel

c)

kwartel

d)

duif

25.

Zo koppig als een ....................

a)

aal

b)

ezel

c)

kwartel

d)

duif

26.

Welke AIAIO hoort bij fictie?

(a)  

27.

Aan 'non-fictie' is

a)

niets verzonnen

b)

niets echt

c)

alles echt gebeurd

d)

niets echt gebeurd

28.

'Fictie' is ........................

a)

bedacht

b)

fantasie

c)

fantasie maar zou gebeurd kunnen zijn

d)

fantasie maar zou kunnen gebeuren

29.

Een fantasieverhaal is

a)

bedacht en kan niet gebeuren

b)

bedacht en is nooit gebeurd

c)

bedacht en kan niet gebeuren

d)

mogelijk

30.

Iemand iets op de mouw spelden.....

a)

letterlijk

b)

figuurlijk

31.

Met hart en ziel ergens mee bezig zijn.......

a)

letterlijk

b)

figuurlijk

32.

De aanval is de beste verdediging.

Betekent:

a)

Een werk is pas te beoordelen als het klaar is

b)

Je moet niet doen alsof iets van jou is, voordat je het werkelijk bezit.       

c)

er geen verstand van hebben

d)

iets doen wat totaal zinloos is

e)

Je kunt beter zelf initiatief nemen dan afwachten.

33.

water naar de zee dragen

Betekent:

a)

Een werk is pas te beoordelen als het klaar is

b)

Je moet niet doen alsof iets van jou is, voordat je het werkelijk bezit.       

c)

er geen verstand van hebben

d)

iets doen dat totaal zinloos is

e)

Je kunt beter zelf initiatief nemen dan afwachten.

34.

Wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten.

Betekent:

a)

Een werk is pas te beoordelen als het klaar is

b)

Je moet niet doen alsof iets van jou is, voordat je het werkelijk bezit.       

c)

er geen verstand van hebben

d)

Als je iets verkeerds doet, moet je de gevolgen daarvan dragen

e)

Je kunt beter zelf initiatief nemen dan afwachten.

35.

Beter een half ei dan een lege dop.

Betekent:

a)

Een werk is pas te beoordelen als het klaar is

b)

Je moet niet doen alsof iets van jou is, voordat je het werkelijk bezit.       

c)

er geen verstand van hebben

d)

Geen van deze

e)

Je kunt beter zelf initiatief nemen dan afwachten.

36.

Een fluitje van een cent

Betekent:

a)

Een werk is pas te beoordelen als het klaar is

b)

Je moet niet doen alsof iets van jou is, voordat je het werkelijk bezit.       

c)

er geen verstand van hebben

d)

dat is een makkie

e)

Je kunt beter zelf initiatief nemen dan afwachten.

37.

Wie doet wat zij wil?

a)

januari

b)

februari

c)

maart

d)

april

38.

Wanneer leggen alle vogels een ei?

a)

In een nest

b)

in januari

c)

in mei

d)

in oktober

39.

Wie roert haar staart?

a)

januari

b)

april

c)

mei

d)

maart

40.

De haan voelde zich .........lekker, liep .......recht het hok uit

om met .......scherpe blik de ........zoete lekkernij te vinden.

a)

kip, kaars

vlijm, mier

b)

kaars, vlijm

mier, kip

c)

kip, vlijm

mier, kaars

d)

kip, kaars

mier, vlijm

41.

De .........magere bakker had het ........zwaar toen hij op

de .......gladde straat de .......hoge stapel moest afleveren

a)

brood, lood

 spiegel, toren

b)

stink, lood

 spiegel, toren

c)

brood, mega

 spiegel, toren

d)

brood, lood

 slang, toren

42.

Dat is mij zo klaar als een klontje

betekent:

a)

Ik snap er niks van

b)

ik snap het helemaal

c)

ik gebruik geen suiker

d)

geen idee

43.

Een verhaal heeft altijd meerdere hoofdpersonen

a)

waar

b)

niet waar

44.

Van een 'bijfiguur' weet je wat hij denkt en voelt

a)

waar

b)

niet waar

45.

Een spreekwoord is ..................

a)

Een onveranderlijke zin in de tegenwoordige tijd met een figuurlijke betekenis

b)

nooit waar

c)

altijd waar

d)

hetzelfde als een uitdrukking

46.

Een uitdrukking is ................

a)

een vast combinatie van woorden met een figuurlijke betekenis

b)

nooit waar

c)

altijd waar

d)

Hetzelfde als een spreekwoord

47.

"Ieder huisje heeft zijn kruisje" is een ............

a)

Spreekwoord

b)

uitdrukking

c)

gezegde

d)

liedje

48.

"Hij heeft met hart en ziel aan de taak gewerkt" is een ............

a)

Spreekwoord

b)

uitdrukking

c)

gezegde

d)

liedje