wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Cellen

Total questions: 48

Worksheet time: 24mins

Name
Class
Date
1.

Er zijn 4 typen cellen. Welke cel is een dierlijke cel?

a)

nummer 1

b)

nummer 2

c)

nummer 3

d)

nummer 4

2.

Er zijn 4 typen cellen. Welke cel is een plantaardige cel?

a)

nummer 1

b)

nummer 2

c)

nummer 3

d)

nummer 4

3.

Een groep organen die samen een bepaalde functie hebben is een ......

a)

Cel

b)

Weefsel

c)

Orgaan

d)

Organenstelsel

e)

Organisme

4.
Welk onderdeel heeft een dierlijke cel niet?
a)
Kern
b)
Celmembraan
c)
Celwand
d)
Cytoplasma
5.

Waar in een plantencel vind fotosynthese plaats?

a)

Celkern

b)

Cytoplasma

c)

Bladgroenkorrels

d)

Celwand

6.

De stevigheid van dierlijke cellen ontstaat door stevige celwanden. Juist of onjuist?

a)

Juist

b)

Onjuist

7.

Zie je in de afbeelding één of meerdere weefsels?

a)

één weefsel

b)

meerdere weefsels

8.

Onderdeel 1 heet

a)

Cytoplasma

b)

Vacuole

c)

Kern

9.

1 is de

a)

celwand

b)

celvand

c)

celmern

d)

celkern

10.

3 is het

a)

cytovlasma

b)

cytoklasma

c)

cytoplasma

d)

cytospalma

11.

16 is de

a)

celwand

b)

vacuole

c)

cytoplasma

d)

celkern

12.

11 is de

a)

celwand

b)

vacuole

c)

cytoplasma

d)

celkern

13.

18 is de

a)

celwand

b)

vacuole

c)

cytoplasma

d)

bladgroenkorrel

14.

14 is de

a)

celwand

b)

celmembraam

c)

cytoplasma

d)

bladgroenkorrel

15.

15 is de

a)

celwand

b)

celmembraam

c)

cytoplasma

d)

bladgroenkorrel

16.

Je ziet hier

a)

een plantencel en een schimmelcel

b)

een plantencel en een bacteriecel

c)

een plantencel en een dierlijke cel

d)

twee plantencellen

17.

Plantencellen hebben als enige

a)

geen celwand

b)

geen celkern

c)

wel bladgroenkorrels

d)

wel pukkels

18.

Wat is het celmembraan?

a)

Dat is hetzelfde als de celwand

b)

Dat bestaat niet

c)

Dat regelt alles wat er in de cel gebeurt

d)

Een dun vlies om het celplasma

19.

Wat is een orgaan?

a)

Een deel van een organisme met een eigen taak

b)

Je verteringsstelsel

c)

Je ademhalingsstelsel

d)

Een cel

20.

Een stengel is een orgaan van een plant

a)

Waar

b)

Niet waar

21.

Waar pak je een microscoop aan vast?

a)

De statief

b)

De tubus

c)

De oculair

d)

De tafel

22.

Wat is een weefsel?

a)

Een ander woord voor orgaan

b)

Een groep organen bij elkaar

c)

Alle cellen in ons lichaam

d)

Een groep cellen met dezelfde vorm en functie

23.

Wat is tussencelstof?

a)

Een stof die tussen de cellen van weefsels zit

b)

Een stof die tussen verschillende weefsels zit

c)

Een ander woord voor weefsel

d)

Een orgaan

24.

Huidmondjes kunnen zichzelf sluiten

a)

Waar

b)

Niet waar

25.

Wie hebben er allemaal huidmondjes?

a)

Alle organismen

b)

Mensen

c)

Planten

d)

Dieren

26.

welk soort dierlijk weefsel zie je hier?

a)

botweefsel

b)

spierweefsel

c)

zenuwweefsel

27.

Waarmee regel je de hoeveelheid licht die door de lenzen valt?

a)

Objectieven

b)

Lamp

c)

Diafragma

d)

Tafel

28.

In de afbeelding kun je een cel zien. Tot welk rijk behoort een organisme met dit soort cellen?

(a)  

29.
Wat is de functie van de celkern?
a)
geeft volume aan de cel
b)
geeft stevigheid aan de cel 
c)
regelt de gebeurtenissen in de cel 
d)
heeft geen doel
30.
Welke cel is de enige cel zonder celwand en met alleen een celmembraan?
a)
een bacterie
b)
een schimmel
c)
een plant
d)
een dier
31.

Een kwal is veelzijdig symmetrisch

a)

Juist

b)

Onjuist

32.

Paddenstoelen behoren tot het rijk van de schimmels

a)

Juist

b)

Onjuist

33.

Wat is de meest volledige definitie van een soort?

a)

Een groep organismen die zich onderling kan voortplanten

b)

Een groep organismen die te verdelen is in een aantal kleinere groepen

c)

Een groep organismen die voor vruchtbare nakomelingen kan zorgen

d)

Een groep organismen die grote gelijkenis vertonen

34.

In de zee leven algen, die bij de planten worden gerekend. Welk kenmerk van de cellen van algen wordt gebruikt om ze bij de planten te rekenen?

a)

Celwand

b)

Celkern

c)

Bladgroenkorrels

d)

Celmembraan

35.

Welke cel zie je hier?

a)

Schimmel

b)

Bacterie

c)

Dier

d)

Plant

36.

Welke cel zie je hier?

a)

Schimmel

b)

Bacterie

c)

Dier

d)

Plant

37.

Schimmels zijn altijd meercellig

a)

Waar

b)

Niet waar

38.

Gist is een meercellige schimmel

a)

Waar

b)

Niet waar

39.

Veelcellige schimmels planten zich voort door middel van

a)

Deling

b)

Sporen

c)

Seks

40.

Welke kenmerken horen bij zoogdieren?

a)

Warmbloedig, levendbarend, leven altijd in zee

b)

Levendbarend, leven altijd op land

c)

Warmbloedig, halen adem met de huid

d)

Levendbarend, halen adem met longen

41.

Welke kenmerken horen bij reptielen?

a)

Eieren met een kalkschaal, ademen met de longen

b)

Eieren zonder schaal, ademen met de longen

c)

Eieren met leerachtige schaal, ademen met longen én huid

d)

Huidbedekking zijn droge schubben, eieren met leerachtige schaal

42.

Binnen de biologie is een producent een..

a)

..schimmel

b)

..bacterie

c)

..plant

d)

..dier

43.

Een producent..

a)

.. is iemand die producten maakt

b)

.. is iemand die producten eet

c)

.. is iemand die producten verkoopt

44.

Van wie is deze cel?

a)

Plant

b)

Dier

c)

Schimmel

d)

Bacterie

45.

Van wie is deze cel

a)

Plant

b)

Schimmel

c)

Bacterie

d)

Dier

46.

Van wie is deze cel?

a)

Plant

b)

Schimmel

c)

Dier

d)

Bacterie

47.

Welke cel heeft

- een celkern

- geen celwand

- geen bladgroenkorrels

a)

Plant

b)

Schimmel

c)

Dier

d)

Bacterie

48.

In welke rijken worden organismen ingedeeld?

a)

Planten en dieren

b)

Bacteriën en schimmels

c)

Dieren, planten, bacteriën, schimmels en mensen

d)

Bacteriën, schimmels, planten en dieren