Font size
WorksheetsNew Interface 2KGT Unit 2
Total questions: 49
Worksheet time: 35mins
Maak de juiste vergelijking van het volgende woord.
Spannendste
More exciting
Most exciting
Excitingst
Exciting
Maak de juiste vergelijking van het volgende woord.
Sterker
Stronger
Strong
More strong
Strongerer
Maak de juiste vergelijking van het volgende woord.
Slimste
Smart
Smarter
Smartst
Smartest
Maak de juiste vergelijking van het volgende woord.
langer
Longer
Longest
Taller
Tallest
Maak de juiste vergelijking van het volgende woord.
knapper
Handsome
More handsome
Most handsome
Handsomer
"Much" gebruik je als je ergens veel van hebt, "many"wordt gebruikt als je ergens weinig van hebt.
waar
niet waar
Als je iets kunt tellen en je hebt er veel van, dan gebruik je ........... (much of many)
voorbeeld: 1 chocolate, much / many chocolates
much
many
Vul in: much / many / little / few
I have (a) (veel) friends
Vul in: much / many / little / few
I have (a) (veel) money.
Numbers
much
many
Fruit
much
many
Zet het werkwoord tussen de haakjes in de verleden tijd (Past Simple):
I (a) (brush) my teeth.
Zet het werkwoord tussen de haakjes in de verleden tijd (Past Simple):
Tom (a) (play) tennis with his friends.
Zet het werkwoord tussen de haakjes in de verleden tijd (Past Simple):
They (a) (study) for their exams.
Zet het werkwoord tussen de haakjes in de verleden tijd (Past Simple):
Susan (a) (talk) to me quietly.
Zet het werkwoord tussen de haakjes in de verleden tijd (Past Simple):
Sonia (a) (miss) the train.
Zet het werkwoord in de verleden tijd: I ...(go)... home early yesterday.
go
gone
went
Zet het werkwoord in de verleden tijd: His parents ...(buy)... a new house last year.
buy
bought
buyed
Zet het werkwoord in de verleden tijd: Pete ...(fly)... to Spain.
didn't fly
didn't flew
fly not
flew not
Zet het werkwoord in de verleden tijd: ...(do)... your homework?
Did you
Done you
Did you did
Did you do
Zet het werkwoord in de verleden tijd: ...(talk)... to him at the party?
Did you talked
Did you talk
Talked you
Talk you
was gebruik je bij de volgende persooonsvormen
I & he / she / it
you & we & they
were gebruik je bij de volgende persoonsvormen:
I & he / she / it
you & we & they
Past continuous: The boy was walking the dog.
Klopt deze zin?
correct
wrong
Past Continuous: The boy and his mother was playing the piano.
Is this sentence correct?
correct
wrong
Gebruik de past continuous: The boys ______ _________to play) football.
Complete the sentence
(a)
Gebruik de past continuous: We ______ _________(to go) to the disco.
Complete the sentence
(a)
Gebruik de past continuous: I ______ _________(to play) a game.
Complete the sentence
(a)
Vertaal: act
(a)
Vertaal en denk om spelling: to care
(a)
suddenly
(a)
extremely
(a)
hurricane
(a)
waitress
(a)
performer
(a)
ceiling
(a)
headache
(a)
throw up
(a)
loud
(a)
destroy
(a)
to inspect
(a)
to lift
(a)
frightened
(a)
zweven
(a)
herstellen
(a)
ondersteboven
(a)
omgooien
(a)
aantekeningen
(a)
bezorgd
(a)
