wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Zenuwcellen - NLT

Total questions: 25

Worksheet time: 44mins

Name
Class
Date
1.

Geleid de lange uitloper van zenuwcel A impulsen van het cellichaam af of naar het cellichaam toe?

a)

van het cellichaam af

b)

naar het cellichaam toe

2.

Geleid de lange uitloper van zenuwcel B impulsen van het cellichaam af of naar het cellichaam toe?

a)

van het cellichaam af

b)

naar het cellichaam toe

3.

Sebastiaan brandt zijn vinger aan heet water. Hij trekt zijn hand snel terug, zonder dat hij daar bij nadenkt.


Welke stappen geven de juiste reflexboog weer?

a)

gevoelszenuwcel - ruggenmerg - hersenen -bewegingszenuwcel

b)

gevoelszenuwcel - ruggenmerg - bewegingszenuwcel

c)

bewegingszenuwcel - ruggenmerg - gevoelszenuwcel

d)

bewegingszenuwcel - ruggenmerg - hersenen - gevoelszenuwcel

4.

Hoe noemen we een elektrisch signaaltje dat van een zintuig af komt?

a)

Prikkel

b)

Neuron

c)

Impuls

d)

Bananen

5.

Wat is de naam van onderdeel en 1 en wat geven de zwarte pijlen (2) aan in dit onderdeel?

a)

1 = celkern, 2 = prikkel

b)

1 = uitloper, 2 = impuls

c)

1 = uitloper, 2 = prikkel

d)

1 = cellichaam, 2 = impuls

6.

Aanvoerend deel van een zenuwcel: ontvangt informatie en geeft het door aan het cellichaam

(a)  

7.

Plaats waar twee zenuwcellen contact maken

(a)  

8.

Een vleermuis gebruikt echolocatie voor het opsporen van vliegende prooien zoals insecten. Daarbij maakt de vleermuis geluiden die weerkaatst worden door de omgeving. Door het opvangen van de weerkaatste geluiden bepaalt het dier waar de insecten zich bevinden. De vleermuis vliegt er dan op af om ze op te eten.​

De vleermuis gebruikt spieren om de geluiden te maken. Deze spieren laten de stembanden bewegen en worden snelle spieren genoemd omdat ze wel 160 keer per seconde kunnen samentrekken.​

Welke zenuwcellen geven impulsen aan de snelle spieren?

a)

Schakelcellen

b)

Gevoelszenuwcellen

c)

Bewegingszenuwcellen

9.

De impulsen vanuit de smaakzintuigcellen worden naar een deel van het centrale zenuwstelsel geleid en daar verwerkt.​

Zijn daarbij gevoelszenuwcellen betrokken? En zijn daarbij schakelcellen betrokken?

a)

Alleen gevoelszenuwcellen

b)

Alleen schakelcellen

c)

Alleen bewegingszenuwcellen

d)

Zowel gevoelszenuwcellen als schakelcellen

10.

Je telefoon gaat af en je pakt met je hand de telefoon op. Wat is hier de prikkel?

a)

Je telefoon

b)

Het geluid van de telefoon

c)

Je hand die de telefoon oppakt.

11.

Wat wordt er aangegeven met 2

a)

Cel lichaam

b)

Celkern

c)

Uitloper

d)

isolerende laag

12.

Wat is onderdeel 2?

a)

Neurotransmitter

b)

Blaasje met neurotransmitter

c)

Natriumkanaaltje

d)

Natriumkalium-ATPase

13.

In welke richting verloopt het signaal?

a)

Van A naar B

b)

Van B naar A

c)

Van A naar B en van B naar A

d)

Dat kun je niet zeggen

14.

Wat gebeurt er achtereenvolgens als er bij A een actiepotentiaal aankomt?

a)

Blaasjes versmelten met membraan - Neurotransmitter komt vrij - Natriumkanaaltje gaat open

b)

Blaasjes versmelten met membraan - neurotransmitter komt vrij - Kaliumkanaaltje gaat open

c)

Helemaal niets

d)

Blaasjes versmelten met membraan - door actief transport worden de neurotransmitters opgenomen - Natriumkanaaltje gaat open

15.

Teken een zenuwcel met de volgende onderdelen:

- axon, dendriet, myelineschede, knoop van ranvier, cellichaam en celkern

16.

In de rustfase heerst een membraanpotentiaal van -70mV. Dat betekent dat...

a)

Er meer kaliumionen buiten de cel en meer natriumionen binnen de cel zitten. Gemiddeld zitten er meer positieve ionen buiten de cel, dus is er een negatieve potentiaal.

b)

Er meer natriumionen buiten de cel en meer kaliumionen binnen de cel zitten. Gemiddeld zitten er meer positieve ionen buiten de cel, dus is er een negatieve potentiaal.

c)

Er meer kaliumionen buiten de cel en meer natriumionen binnen de cel zitten. Gemiddeld zitten er meer positieve ionen binnen de cel, dus is er een negatieve potentiaal.

d)

Er meer natriumionen buiten de cel en meer kaliumionen binnen de cel zitten. Gemiddeld zitten er meer positieve ionen binnen de cel, dus is er een negatieve potentiaal.

17.

Dit is een afbeelding van de actiepotentiaal. Welke benaming is juist?

a)

1) Repolarisatie. 2) Depolarisatie. 3) Hyperpolarisatie. 4) Rustpotentiaal

b)

1) Depolarisatie. 2) Hyperpolarisatie. 3) Repolarisatie. 4) Rustpotentiaal

c)

1) Depolarisatie. 2) Repolarisatie. 3) Hyperpolarisatie. 4) Rustpotentiaal

18.

Wat is de refractaire periode?

a)

Dat is wanneer een neuron nog niet (goed) opnieuw kan vuren, tijdens fase nummer 3.

b)

Dat is wanneer een neuron nog niet (goed) opnieuw kan vuren, tijdens fase 2 en 3.

c)

Dat is wanneer een neuron nog niet (goed) opnieuw kan vuren, tijdens fase 1, 2 en 3.

d)

Dat is wanneer een neuron tijdelijk overbeladen is door een te sterke prikkel. (Tip: dit antwoord is fout)

19.

Wat gebeurt er als er een sterkere prikkel binnenkomt bij de neuron?

a)

De actiepotentiaal wordt hoger

b)

De actiepotentiaal duurt langer

c)

De actiepotentiaal komt vaker achter elkaar

20.

Hoe heten de insnoeringen tussen de myelineschedes in? Insnoeringen van ...

(a)  

21.

Waaruit bestaan de myelineschedes?

a)

cellen van Schwann

b)

myeline

c)

Ranvier cellen

d)

spiervezels

22.

Bij welke gedeeltes van het actiepotentiaal zijn de Na-poorten gesloten?

a)

rustfase

b)

depolarisatie

c)

repolarisatie

d)

hyperpolarisatie

23.

Vijf delen van een reflexboog zijn:

1. een motorische zenuwcel

2. een schakelcel

3. een sensorische zenuwcel

4. een spier

5. een spierzintuig.

In welke volgorde zijn deze delen bij het optreden van de reflex betrokken?

a)

4 - 3 - 2 - 1 - 5

b)

5 - 3 - 2 - 1 - 4

c)

 4 - 1 - 2 - 3 - 5

d)

5 - 1 - 3 - 2 - 4

24.

Enkele uitspraken. Welke is juist?

1. Een celmembraan in rust is ongepolariseerd

2. De natrium-kaliumpomp pompt K+ ionen de cel uit en Na+ ionen de cel in

3. Een impuls is hetzelfde als een actiepotentiaal

4. Tijdens de absoluut refractaire periode is een cel niet in staat om op een tweede prikkel te reageren

a)

2

b)

4

c)

1

d)

3

25.

De hoeveelheid neurotransmitter, die per tijdseenheid door een bepaalde zenuwcel in een synapsspleet wordt gebracht, is niet constant.Waar hangt deze hoeveelheid vanaf?

a)

De sterkte van aankomende impulsen

b)

 De frequentie waarmee impulsen aankomen

c)

De herkomst van aankomende impulsen

d)

De mate van depolarisatie van het presynaptische membraan