Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling toetsweektoets 4 basis

Total questions: 38

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.

Wanneer gebruik je in de Nederlandse taal een . als leesteken?

(a)  

2.

Welk leesteken gebruik je bij een opsomming?

a)

.

b)

,

c)

''

d)

?

3.

Welk leesteken moet er tussen de [ ] staan?

[ ] Kom we gaan, [ ] zei mijn tante.

(a)  

4.

Wanneer gebruik je een uitroepteken (!)?

(a)  

5.

Welke woorden in de volgende zin moeten met een hoofdletter?

Ik wil graag op vakantie naar amerika met pasen.

(a)  

6.

Welke samenstelling is juist geschreven?

a)

zonnenschijn

b)

zonneschijn

7.

Welke samenstelling is juist geschreven?

a)

groentensoep

b)

groentessoep

c)

groentesoep

8.

Welke samenstelling is juist geschreven?

a)

spinnenweb

b)

spinneweb

c)

spinweb

9.

Welke samenstelling is juist geschreven?

a)

roekenloos

b)

roekeloos

10.

Welke samenstelling is juist geschreven?

a)

berensterk

b)

berenkooi

c)

berengezellig

11.

Welke samenstelling is fout geschreven?

a)

maneschijn

b)

appelsap

c)

apenrots

d)

spinnenwiel

12.

Welke samenstelling is fout geschreven?

a)

secondewijzer

b)

Koninginnedag

c)

apentrots

d)

leeuwenkooi

13.

Schrijf het woord tussen haakjes op de juiste manier.

Ron is een hardloper van 1.93 m. Hij is een (lange afstand loper).

(a)  

14.

Schrijf het woord tussen haakjes op de juiste manier.

Bij de Ikea hebben we nieuwe glazen voor witte wijn gekocht. (wit wijn glas)

(a)  

15.

Geef van het woord het juiste meervoud: glas

(a)  

16.

Geef van het woord het juiste meervoud: rund

(a)  

17.

Geef van het woord het juiste meervoud: museum

(a)  

18.

Geef van het woord het juiste meervoud: hiëroglief

(a)  

19.

Geef van het woord het juiste meervoud: auto

(a)  

20.

Geef van het woord het juiste meervoud: lolly

(a)  

21.

Geef van het woord het juiste meervoud: cowboy

(a)  

22.

Ik ben beter ... jij bent.

a)

als

b)

dan

23.

Klas 4C scoorde beter ... klas 4D.

a)

als

b)

dan

24.

4A en 4B hebben samen dezelfde hoeveelheid leerlingen ... 3A en 3B.

a)

als

b)

dan

25.

Vul de vergrotende en overtreffende trappen aan: leuk

(a)  

26.

Vul de vergrotende en overtreffende trappen aan: goed

(a)  

27.

Vul de vergrotende en overtreffende trappen aan: veel

(a)  

28.

Geef de juiste spelling van het werkwoord tussen haakjes. Let op de tijd waarin het werkwoord staat!

Rachel ... (verlaten, vt) Ross voor de vierde keer.

(a)  

29.

Geef de juiste spelling van het werkwoord tussen haakjes. Let op de tijd waarin het werkwoord staat!

De telefoon ... (rinkelen, tt) al de hele ochtend.

(a)  

30.

Geef de juiste spelling van het werkwoord tussen haakjes. Let op de tijd waarin het werkwoord staat!

... (vinden) jij ook dat het schooljaar snel gaat?

(a)  

31.

Geef de juiste spelling van het werkwoord tussen haakjes. Let op de tijd waarin het werkwoord staat!

Ik heb vanmorgen met de hond ... (wandelen, vdw).

(a)  

32.

Geef de juiste spelling van het werkwoord tussen haakjes. Let op de tijd waarin het werkwoord staat!

Mijn neef ... (verbranden, tt) alle foto's van zijn ex-vriendin.

(a)  

33.

Geef de juiste spelling van het werkwoord tussen haakjes. Let op de tijd waarin het werkwoord staat!

Wij ... (zijn, vt) vanmorgen hard naar school ... (rennen, vdw).

(a)  

34.

Het doel van een advertentie is (bijna) altijd:

a)

informeren

b)

amuseren

c)

overhalen

d)

overtuigen

35.

Als de bron van een tekst een krant is, want zal dan waarschijnlijk het tekstdoel zijn?

a)

informeren

b)

amuseren

c)

overtuigen

d)

activeren

36.

Het signaalwoord 'ook' geeft aan dat je te maken hebt met een:

a)

tegenstelling

b)

opsomming

c)

oorzaak-gevolg

37.

Het signaalwoord 'echter' geeft aan dat je te maken hebt met een:

a)

opsomming

b)

oorzaak-gevolg

c)

tegenstelling

38.

Het signaalwoord 'dus' geeft aan dat je te maken hebt met een:

a)

tegenstelling

b)

opsomming

c)

conclusie

d)

oorzaak-gevolg