wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

V5 H3 Aarde endogene en exogene krachten 1-9

Total questions: 98

Worksheet time: 55mins

Name
Class
Date
1.

Een endogene kracht is

a)

Een kracht van buiten het aardoppervlak dat de aardkorst verandert

b)

Een scheur in de aardkorst

c)

Een kracht die bergen (zoals de Alpen) creëert

d)

Een kracht van binnenuit de aarde die de aardkorst verandert

2.

Hoe heet het proces dat je op de afbeelding ziet?

(a)  

3.

Welk soort verwering krijgt dit voor elkaar?

(a)  

4.

Welk begrip hoort er bij de afbeelding?

(a)  

5.

Een exogene kracht is?

a)

Een kracht van binnenuit de aarde die de aardkorst verandert

b)

Een kracht van buiten het aardoppervlak dat de aardkorst verandert

c)

Een kracht dat veel verweringsmateriaal creërt

6.

Welk proces dat materiaal op een plek aflevert is mede-verantwoordelijk voor het ontstaan van de Alpen?

a)

Erosie

b)

Chemische verwering

c)

Sedimentatie

7.

Welke bewering is waar?

a)

Erosie is een exogeen proces en een aardbeving is een endogene kracht

b)

Sedimentatie en erosie zijn beide een endogene kracht

c)

Verwering is een endogene kracht

d)

Vulkaanuitbarstingen zijn een exogene kracht

8.

Doordat twee platen ....... zijn de Alpen ontstaan

a)

van elkaar af bewogen

b)

langs elkaar bewogen

c)

naar elkaar toe bewogen

9.

Welke bewering is waar?

a)

Oud gebergte heeft afgeronde toppen

b)

Jonge gebergte is minder groot dan oud gebergte, maar heeft wel stijle toppen

c)

Er is erg weinig verschil tussen oud en jong gebergte

10.

Verwering is:

a)

Het uiteenvallen van gesteente onder invloed van weer en plantengroei

b)

Het uitschuren en afschuren van hard gesteente door met verweringsmateriaal geladen water, ijs of wind

11.

Erosie is:

a)

Het uitschuren en afschuren van hard gesteente door met verweringsmateriaal geladen water, ijs of wind

b)

Het uiteenvallen van gesteente onder invloed van weer en plantengroei

12.

Wat is de term die we gebruiken voor een laag gesteente aan het einde van een gletsjer?

a)

eindmorene

b)

grondmorene

c)

zijmorene

d)

middenmorene

13.

Wat voor soort dal maakt een gletsjer?

a)

V-dal

b)

O-dal

c)

U-dal

d)

C-dal

14.

Welke beweringen zijn waar?

a)

Gletsjerrivier = Rivier gevoed door smeltwater van een gletsjer en regenwater

b)

Een gemengde rivier = Rivier die smeltwater van gletsjers en regenwater afvoert.

c)

Regenrivier = Rivier die volledig afhankelijk is van regenwater

d)

Regenrivier = Rivier die een klein beetje gevoed wordt door het smeltwater van een gletsjer, maar voornamelijk door regen

15.

Als een rivier snel stroomt dan is er:

a)

Meer erosie dan sedimentatie

b)

Meer sedimentatie dan erosie

c)

Evenveel erosie als sedimentatie

16.

Het deel van de aarde waar de aardkorst op drijft.

(a)  

17.

Het gedeelte van de mantel dat gedeeltelijk vloeibaar is en waar de lithosfeer overheen beweegt.

(a)  

18.

Stollingsgesteente dat ontstaat bij vulkaanuitbarstingen en veel in oceanische korst voorkomt.

(a)  

19.

Stroming van vloeibaar gesteente in de aardmantel ontstaan door de afgifte van warmte vanuit de aardkern.

(a)  

20.

De diepste plaatsen in de zeebodem die ontstaan waar oceanische korst onder andere korst wordt geduwd.

(a)  

21.

Stollingsgesteente dat ondergronds stolt.

(a)  

22.

De aardkorst en bovenste deel van de aardmantel die samen als aardplaten bewegen.

(a)  

23.

Een wereldwijd aaneengesloten "onderwatergebergte" op de oceaanbodem ontstaan doordat oceanische korst uit elkaar drijft.

(a)  

24.

Het idee dat natuurlijke processen zoals ze tegenwoordig verlopen in het verleden op dezelfde wijze hebben gedaan.

(a)  

25.

De plaatgrenzen waarbij aardplaten naar elkaar bewegen.

(a)  

26.

De plaatgrenzen waarbij aardplaten uit elkaar bewegen.

(a)  

27.

Het enorme continent dat ongeveer 200 miljoen jaar geleden bestond uit alle huidige continenten samen.

(a)  

28.

De plaatgrenzen waarbij aardplaten langs elkaar bewegen.

(a)  

29.

Een grote cirkelvormige krater ontstaan nadat het bovenste deel van de vulkaan is weggeblazen, of is ingestort.

(a)  

30.

Een vulkaanuitbarsting met een rustig verloop.

(a)  

31.

Een explosief verlopende uitbarsting van een vulkaan.

(a)  

32.

Plek op aarde waar in de aardmantel pluimen van zeer heet magma omhoogkomen.

(a)  

33.

Al het materiaal dat bij een vulkaanuitbarsting in de lucht wordt geslingerd, zoals lava, as en stenen.

(a)  

34.

Een vulkaan die ontstaat doordat de dun vloeibare basaltische lava rustig vanuit de krater stroom en een uitgestrekt gebied kan bedekken.

(a)  

35.
Chemische verwering is het sterkst in gebieden met :
a)
een koud en droog klimaat
b)
een koud en vochtig klimaat
c)
een warm en droog klimaat
d)
een warm en vochtig klimaat
36.
Het soort massabeweging dat ontstaat is afhankelijk van:
a)
de aard van het materiaal, de steilheid van de helling en het klimaat
b)
de aanwezigheid van begroeiing, de zwaartekracht en de hoeveelheid water in de bodem
c)
de steilheid van de helling, de hoeveelheid water in de bodem en de zwaartekracht
d)
de hoeveelheid water in de bodem, de steilheid van de helling en de aard van het materiaal
37.

Gebergte dat ontstaat wanneer langs een breuk een deel van de aardkorst wegzakt of een ander deel omhoog komt.

(a)  

38.

Stollingsgesteente dat ontstaat wanneer magma ondergronds afkoelt en stolt.

(a)  

39.

De doorgaande vorming van stollingsgesteente naar sedimentgesteente naar metamorf gesteente.

(a)  

40.

Een stuk aardkorst dat langs een breuk omhoog gekomen is.

(a)  

41.

Kringloop van water.

(a)  

42.

Stijgend magma dat vast gesteente binnendringt, afkoelt en stolt.

(a)  

43.

Metamorf gesteente dat ontstaat uit schalie.

(a)  

44.

Metamorf gesteente dat ontstaat uit kalksteen.

(a)  

45.

Gesteente dat ontstaat doordat bestaand gesteente onder invloed van hoge temperatuur en grote druk langzaam wordt vervormd.

(a)  

46.

Gebergte dat ontstaat door de druk in de aardkorst waarbij gesteente geplooid en opgeheven wordt.

(a)  

47.

Gesteente dat ontstaat doordat vloeibare lava of vloeibaar magma stolt.

(a)  

48.

Een stuk aardkorst dat langs een breuk naar beneden is gezakt.

(a)  

49.

Stollingsgesteente dat ontstaat wanneer lava aan het oppervlak afkoelt en stolt.

(a)  

50.

De kegelvormige ophoping van verweringsmateriaal die ontstaat zodra de stroomsnelheid van een rivier plotseling snel afneemt.

(a)  

51.

Sedimentgesteente dat ontstaat door het samenpersen van lagen klei.

(a)  

52.

Het ophopen van sediment op plaatsen waar de snelheid van water of wind afneemt.

(a)  

53.

Het verbrokkelen van gesteente onder invloed van het weer en de werking van planten.

(a)  

54.

Gebied waarbinnen al het regen- en smeltwater via een hoofdrivier wordt meegenomen.

(a)  

55.

Het vervoer van verweringsmateriaal door ijs, water en wind.

(a)  

56.

Sedimentgesteente dat ontstaat door het samenpersen van lagen zand.

(a)  

57.

Het oplossen van gesteente door inwerking van water, zuren en zuurstof.

(a)  

58.

Nieuw land in zee dat ontstaat op een plaats waar een rivier in zee uitmondt en het sediment ophoopt.

(a)  

59.

De uitschurende werking van water, wind of ijs dat in beweging is.

(a)  

60.

Een trechtervormige riviermonding die ontstaat bij grote verschillen tussen eb en vloed.

(a)  

61.

Het verbrokkelen van gesteente door het bevriezen van water, temperatuurverschillen of de werking van wortels.

(a)  

62.

Sedimentgesteente dat ontstaat door het samenpersen van schelpen en kalkskeletten.

(a)  

63.

Materiaal dat door een gletsjer wordt neergelegd.

(a)  

64.

De sterkte van een aardbeving gemeten aan de hand van de hoeveelheid schade.

(a)  

65.

De sterkte van een aardbeving gemeten aan de hand van de hoeveelheid vrijgekomen energie.

(a)  

66.

Kracht die optreedt bij de midoceanische rug waar oceanische lithosfeer door zijn gewicht de rest van de aardplaat zijdelings wegduwt.

(a)  

67.

Wegzakkende oceanische lithosfeer trekt door zijn gewicht de rest van de aardplaat met zich mee de mantel in.

(a)  

68.
Een voorbeeld van een sedimentsgesteente is:
a)
leisteen
b)
graniet
c)
zandsteen
d)
gneis
69.
Sedimentsgesteente kan worden omgezet in een metamorf gesteente door:
a)
smelten en stollen
b)
hitte en druk
c)
verwering en sedimentatie
d)
opheffing en druk
70.
Chemische verwering is het sterkst in gebieden met :
a)
een koud en droog klimaat
b)
een koud en vochtig klimaat
c)
een warm en droog klimaat
d)
een warm en vochtig klimaat
71.
a)
 Op deze foto zie je fysische verwering
b)
Op deze foto zie je organogene verwering
c)
Op deze foto zie je chemische verwering
d)
Op deze foto zie je geen verwering
72.
Het soort massabeweging dat ontstaat is afhankelijk van:
a)
de aard van het materiaal, de steilheid van de helling en het klimaat
b)
de aanwezigheid van begroeiing, de zwaartekracht en de hoeveelheid water in de bodem
c)
de steilheid van de helling, de hoeveelheid water in de bodem en de zwaartekracht
d)
de hoeveelheid water in de bodem, de steilheid van de helling en de aard van het materiaal
73.

Welke 2 kenmerken horen bij een oud gebergte?

a)

Spitste toppen

b)

Afgeronde toppen

c)

Flauwe hellingen

d)

Diepe dalen

74.

Wat voor soort gebergte zie je hier?

a)

Jong gebergte

b)

Oud gebergte

75.

Welk type verwering zie je hier?

a)

chemische verwering

b)

mechanische verwering, plantenwortels

c)

mechanische verwering, extreme temperatuurverschillen

d)

mechanische verwering, vorstverwering

e)

chemische verwering, vorstverwering

76.

Welk type verwering zie je hier?

a)

Vorstverwering

b)

Verwering door extreme temperatuurverschillen

c)

Verwering door plantenwortels

d)

Chemische verwering

77.

Er is eerst verwering, voordat erosie kan plaatsvinden

a)

juist

b)

onjuist

78.

Door welke transportkracht is dit dal ontstaan?

a)

wind

b)

water

c)

ijs

d)

zwaartekracht

79.

Erosie of verwering?

a)

chemische verwering

b)

mechanische verwering, plantenwortels

c)

mechanische verwering, temperatuurverschillen

d)

erosie door wind

e)

erosie door een gletsjer

80.

U-dalen veranderen door een gletsjer in een V-dal.

Waar of niet waar?

a)

Waar

b)

Niet waar

81.

Welk begrip past bij de volgende omschrijving? hoge vloedgolf die de kust overspoelt, veroorzaakt door een zeebeving;

a)

hotspot

b)

tsunami

c)

subductie

d)

stuwingsneerslag

e)

magma

82.

Bekijk het plaatje. Het bovenste plaatje is het geologisch gezien het oudste qua tijd. Het onderste is de huidige situatie.

a)

Goed

b)

Fout

83.

Gebergten ontstaan waar de aardkorst uit elkaar getrokken wordt of onder druk staat. Welke begrippen horen bij ‘uit elkaar getrokken’?

a)

Alpen

b)

breuken

c)

convergeren

d)

divergeren

e)

horst

84.

Welk type verwering is hier van toepassing?

a)

Mechanische

b)

Chemische

c)

Biologisch mechanisch

85.

Welk type verwering is hier van toepassing?

a)

Mechanische

b)

Chemische

86.

Welke richting van erosie?

a)

Horizontale

b)

Verticale

87.

Welke richting van erosie?

a)

Horizontale

b)

Verticale

88.

Wat is hier het meest van toepassing?

a)

Chemische verwering

b)

Mechanische verwering

c)

Erosie door water

d)

Erosie door wind

e)

Erosie door ijs

89.

Welk begrip is het meest van toepassing op deze foto?

a)

Modderstroom

b)

Massabeweging

c)

Puinwaaier

d)

Lahar

e)

Puinhelling

90.

Welk begrip(pen) is/zijn hier van toepassing?

a)

Puinhelling

b)

Puinwaaier

c)

Erosie

d)

Verwering

91.

Welk type verwering is hier van toepassing?

a)

Mechanische

b)

Chemische

c)

Biologisch mechanisch

92.

Welk type verwering is hier van toepassing?

a)

Mechanische

b)

Chemische

c)

Biologisch mechanisch

93.

Je hebt 2 minuten de tijd voor deze vraag. Bekijk de bron. Welke verwering vindt het meeste plaats op 70 graden NB?

a)

A

b)

B

c)

C

d)

D

e)

E

94.

Je hebt 2 minuten de tijd voor deze vraag. Bekijk de bron. Welke verwering vindt plaats in een Af klimaat?

a)

A

b)

B

c)

C

d)

D

e)

E

95.

Dit is een afbeelding van een..

a)

Delta

b)

Estuarium

96.

Dit is een afbeelding van een..

a)

Delta

b)

Estuarium

97.

Dit is een afbeelding van een..

a)

Delta

b)

Estuarium

98.

Dit is een afbeelding van een..

a)

Delta

b)

Estuarium