wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

LJ3 TV H2 en 3

Total questions: 65

Worksheet time: 36mins

Name
Class
Date
1.

Een enkelvoudige zin heeft ......

a)

twee persoonsvormen

b)

een persoonsvorm

c)

drie persoonsvormen

2.

Een samengestelde zin heeft ......

a)

een persoonsvorm.

b)

meer persoonsvormen.

3.

Wat zijn voegwoorden?

a)

Dat zijn woorden waarmee je zinnen aan elkaar voegt.

b)

Voegwoorden zijn woorden die een zin vragend maken.

4.

Wat is het voegwoord?


Wanneer ik Femke zie, zal ik het haar vragen.

a)

wanneer

b)

zal

c)

zie

5.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Wij repareren uw fiets .... u boodschappen doet!

a)

intussen

b)

terwijl

c)

want

6.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Kampioen zullen zij niet worden, … er een wonder gebeurt.

a)

tenzij

b)

indien

c)

doordat

7.

Wat is het voegwoord?


Zodra het startschot klinkt, starten de schaatsers.

a)

klinkt

b)

starten

c)

zodra

8.

Hoeveel persoonsvormen heeft de volgende zin? De leerlingen uit A3C moeten morgenochtend nakomen, omdat ze zich gisteren niet gemeld hebben bij de conciërge.

a)

3; moeten, nakomen, hebben

b)

2; moeten, hebben

c)

1; moeten

d)

4; moeten, nakomen, gemeld, hebben

9.

Een zin met meerdere persoonsvormen noem je ook wel een:

a)

enkelvoudige zin

b)

ingewikkelde zin

c)

samengestelde zin

d)

hoofdzin

10.

Is de volgende zin een enkelvoudige of samengestelde zin? De GGD heeft het contactonderzoek op onze school goed uitgevoerd.

a)

enkelvoudige zin

b)

samengestelde zin

c)

geen van beide

11.

Is de volgende zin een enkelvoudige of samengestelde zin? Studerende en werkende jongeren gaan steeds later het huis uit, omdat ze een eigen appartement of huis niet kunnen betalen.

a)

enkelvoudige zin

b)

samengestelde zin

12.

Hoeveel persoonsvormen heeft deze zin? Studerende en werkende jongeren gaan steeds later het huis uit, omdat ze een eigen appartement of huis niet kunnen betalen.

a)

1; gaan

b)

2; gaan, betalen

c)

2; gaan, kunnen

d)

3; gaan, kunnen, betalen

13.

Geef aan of de zin enkelvoudig of samengesteld is. Volgens sommige theorieën is de oudste van het gezin de slimste, maar dat is achterhaald.

a)

enkelvoudig

b)

samengesteld

14.

Geef aan of de zin enkelvoudig of samengesteld is. Soms komt een deel van de opvoeding neer op de oudste van het gezin.

a)

enkelvoudige zin

b)

samengestelde zin

15.
Zoek het onderwerp in deze zin.
Harry Potter gaat voor het eerst naar Zweinstein.
a)
Harry Potter
b)
Zweinstein
c)
gaat
d)
eerst
16.
Zoek in deze zin het onderwerp.
De uil bezorgt een brief.
a)
een brief
b)
de uil
c)
bezorgt
d)
een
17.
Zoek in deze zin de persoonsvorm.
Meneer Duffeling wordt ontzettend kwaad.
a)
kwaad
b)
ontzettend
c)
wordt
d)
meneer Duffeling
18.
Zoek in deze zin de persoonsvorm.
Eet professor Perkamentus graag snoep? 
a)
eet
b)
professor Perkamentus
c)
snoep
d)
graag
19.
Zoek in deze zinnen de persoonsvormen.
Harry Potter houdt van Hermelien, maar heeft een hekel aan Voldemort.
a)
Harry Potter en Hermelien
b)
houdt en heeft
c)
houdt en maar
d)
hekel en houdt
20.
Een samengestelde zin heeft ....... persoonsvormen.
a)
één
b)
twee
c)
twee of meer
d)
geen
21.
Is dit een enkelvoudige of een samengestelde zin?
Hermelien tovert een konijn uit haar hoed.
a)
samengesteld
b)
enkelvoudig
22.
Is dit een enkelvoudige of samengestelde zin?
Ron wil niet naar huis, want hij vindt het zo gezellig op Zweinstein.
a)
Enkelvoudige zin
b)
Samengesteld zin
23.
Zoek het onderwerp en de persoonsvorm in deze zin.
Volgens mij is het neefje van Harry een gemene pestkop.
a)
Harry / gemene pestkop
b)
het neefje van Harry / is
c)
mij / is
d)
is / gemene pestkop
24.
Zoek het voegwoord in deze zin.
Harry zwaait naar Ron en tovert een grote zak met salamanders uit zijn bureau.
a)
uit
b)
met
c)
en
d)
naar
25.

Welke zin is goed?

a)

Ik heb gezien dat u naast shampoos ook kleurproducten verkopen.

b)

Ik heb gezien dat u naast shampoos ook kleurproducten verkoopt.

26.

Welke zin is goed?

a)

Haarpiercings, wat zijn dat nu eigenlijk?

b)

Haarpiercings, wat is dat nu eigenlijk?

27.

Welke zin is goed?

a)

In welke kleuren is de Hairchalk verkrijgbaar?

b)

In welke kleuren zijn de Hairchalk verkrijgbaar?

28.

Welke zin is goed?

a)

De vitamines in de mousse zorgt ervoor dat het haar gezond blijft.

b)

De vitamines in de mousse zorgen ervoor dat het haar gezond blijft.

29.

Welke zin is goed?

a)

We hopen dat u dit een leuk idee vindt.

b)

We hopen dat u dit een leuk idee vinden.

30.

Welke zin is goed?

a)

De producten geven glans en blendt mooi in het haar.

b)

De producten geven glans en blenden mooi in het haar.

31.

Welke zin is goed?

a)

Een deel van de deelnemers had blaren op de voeten.

b)

Een deel van de deelnemers hadden blaren op de voeten.

32.

Welke zin is goed?

a)

Het aantal aanmeldingen voor de kleurcursus zijn groot.

b)

Het aantal aanmeldingen voor de kleurcursus is groot.

33.

Welke zin is goed?

a)

Als u de bon meeneemt, krijgt u en uw vriendin korting .

b)

Als u de bon meeneemt, krijgen u en uw vriendin korting.

34.

Welke zin is goed?

a)

Een paar laarzen kost meer dan een paar sneakers.

b)

Een paar laarzen kosten meer dan een paar sneakers.

35.

Persoonsvorm:

Wie van jullie is komen lopen?

a)

lopen

b)

is

c)

wie van jullie

d)

komen

36.

Persoonsvorm:

Daar heeft hij een geweldige overwinning behaald?

a)

daar

b)

hij

c)

heeft

d)

behaald

37.
Meester Pieter speelt basgitaar bij een bandje uit de buurt.
Het onderwerp in de zin is;
a)
meester
b)
Pieter
c)
meester Pieter
d)
bandje uit de buurt
38.
Eet de papegaai enkel nootjes of ook iets anders?
Het onderwerp in deze zin is:
a)
de papegaai
b)
enkel nootjes
c)
iets anders
39.
Elke morgen start opa aan zijn ochtendwandeling van 8 km.
Deze zin staat in...
a)
het meervoud
b)
het enkelvoud
40.
Een agent heeft aan het drukke kruispunt het verkeer goed in de war gestuurd.
De persoonsvorm is:
a)
heeft
b)
drukke
c)
gestuurd
41.
Iedere zondag komt de hele familie samen bij oma en opa om gezellig bij te babbelen.
Het onderwerp is:
a)
iedere zondag
b)
de hele familie
c)
oma en opa
42.
Anneke vertelde Marieke het geheim van haar broer.
Het onderwerp in deze zin is:
a)
Anneke
b)
Marieke
43.
Terwijl mama het avondeten bereidt, leest papa in de woonkamer de krant.
De persoonsvorm is deze zin is...
a)
bereidt
b)
leest
44.
Zoek in deze zin de persoonsvorm.
Meneer Duffeling wordt ontzettend kwaad.
a)
kwaad
b)
ontzettend
c)
wordt
d)
meneer Duffeling
45.
Zoek in deze zinnen de persoonsvormen.
Harry Potter houdt van Hermelien, maar heeft een hekel aan Voldemort.
a)
Harry Potter en Hermelien
b)
houdt en heeft
c)
houdt en maar
d)
hekel en houdt
46.

Wat is de pv: Wat is jouw naam?

a)

Wat

b)

is

c)

jouw

d)

naam

47.

Wat is de pv: Hebben jullie veel pepernoten gegeten?

a)

Hebben

b)

jullie

c)

pepernoten

d)

gegeten

48.

Wat is de pv: Wie brengt de post naar de brievenbus?

a)

Wie

b)

brengt

c)

de post

d)

de brievenbus

49.

Wat is de pv: Waarom zijn bananen krom?

a)

krom

b)

zijn

c)

bananen

d)

Waarom

50.

Wat is de pv: Ik wil ook wel eens een film in de klas kijken.

a)

ik

b)

wil kijken

c)

wil

d)

in de klas

51.

Wat is de pv: Waarom gaat mijn schoenveter steeds los?

a)

Waarom

b)

schoenveter

c)

gaat

d)

gaat los

52.

Noteer het voltooid deelwoord.

In Nederland wordt vaker ........(pinnen).

a)

gepint

b)

gepind

53.

Gisteren heb ik de deur om tien uur.......(sluiten).

a)

gesluit

b)

gesluiten

c)

gesloot

d)

gesloten

54.

Ik was ............(raken) door die opmerking over mijn overleden hondje.

a)

geraakt

b)

gerakt

c)

geraken

d)

geraakd

55.

Tijdens de wedstrijd werd de handdoek in de ring .....(werpen).

a)

gewerpt

b)

gewerpen

c)

geworpen

d)

geworpt

56.

De docent had alle fouten .......(doorstrepen).

a)

gedoorstreept

b)

doorgestrepen

c)

doorgestreept

57.

Heb je de kratjes ..........(opstapelen)?

a)

geopstapeld

b)

opgestapeld

c)

opgestapelt

d)

geopstapelt

58.

Heb je haar een kaartje.......(sturen)?

a)

gestuurt

b)

gestuurd

59.

De stallen worden binnenkort ....... (slopen).

a)

gesloopt

b)

gesloopd

60.

Op het feest heeft hij met haar ......(dansen).

a)

gedanst

b)

gedansd

61.

Yasmine heeft zijn haar blauw ........(verven).

a)

gevervd

b)

gevervt

c)

geverfd

d)

geverft

62.

Maud heeft dit weekend goed ........(voetballen).

a)

gevoetbalt

b)

gevoetbald

c)

voetgebald

d)

voetgebalt

63.

Is het onderstreepte woord een voltooid deelwoord?

Het gebeurt tijdens iedere les.

a)

Nee, gebeurt is hier een persoonsvorm. Je kunt er namelijk 'het gebeurde' van maken. En de persoonsvorm is het werkwoord dat verandert als je de zin in een andere tijd zet.

b)

Ja, want er staat het voorvoegsel 'ge' voor en dan is het werkwoord altijd een voltooid deelwoord.

64.

Is het onderstreepte woord een voltooid deelwoord of een persoonsvorm?

De N279 is een aantal jaren geleden verbreed.

a)

voltooid deelwoord

b)

persoonsvorm

65.

Is het onderstreepte woord een persoonsvorm of een voltooid deelwoord?

Jasmijn herkanst morgen haar toets van Nederlands.

a)

persoonsvorm

b)

voltooid deelwoord