Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 4 - Evolutie (4Havo)

Total questions: 27

Worksheet time: 38mins

Name
Class
Date
1.

Het lichaam van onze voorouders is veranderd door erfelijke variatie en natuurlijke selectie

a)

waar

b)

niet waar

2.
Welke verklaring geeft het beste het verschil aan tussen de theorie van Lamarck en het begrip natuurlijke selectie dat Darwin gebruikte?
a)
Volgens de theorie van Lamarck wordt evolutie gestuurd, en natuurlijke selectie is ongestuurd.
b)
Lamarck dacht aangeleerde vaardigheden erfelijk waren en natuurlijke selectie gaat ervan uit dat dat onmogelijk is.
c)
Vroeger vond evolutie plaats zoals Lamarck dacht en nu vindt natuurlijke selectie plaats.
d)
Er is geen verschil, Darwin leefde alleen later dan Lamarck
3.
Voorbeelden van rudimentaire organen bij de mens zijn:
a)
dunne dram en staartbeen
b)
dunne darm en blinde darm
c)
blinde darm en staartbeen
4.

Waarom zijn fossielen een belangrijk argument voor de evolutietheorie?

a)

Door fossielen kunnen we aantonen dat door de loop van de tijd soorten zijn ontstaan, verdwenen en veranderd.

b)

Door fossielen weten we de afstamming van alle soorten

c)

Uit fossielen kan DNA worden gehaald. Dit DNA geeft aan dat door de loop van de tijd soorten zijn ontstaan, verdwenen en veranderd.

d)

Fossielen geven te weinig informatie over de evolutie van soorten en het is een te zwak argument voor de evolutietheorie.

5.

In een bepaalde populatie komen ongeveer evenveel slakken met lichtgekleurde huisjes voor als slakken met donkergekleurde huisjes. De kleur van de huisjes is erfelijk bepaald. Door een verandering in de omgeving wordt de ondergrond waarop ze leven donkerder. Vogels eten daardoor slakken met lichte huisjes eerder op dan die met donkere. Na een paar generaties blijken er in die populatie bijna geen slakken met lichte huisjes meer te zijn. Is er in deze populatie sprake van selectie?

a)

Nee

b)

Ja, van kunstmatige selectie

c)

Ja, van seksuele selectie

d)

Ja, van natuurlijke selectie

6.

In de afbeelding zie je een overzicht met dieren die van elkaar afstammen en/of een relatie met elkaar hebben. Uit welke voorouder zijn de knaagdieren en de halfapen ontstaan?

a)

van de buideldieren

b)

van de zoogdierachtig kruipende dieren

c)

van de vogelachtige kruipende dieren

d)

van de hoefdieren

7.

Bekijk de afbeelding. In welke periode zijn de eerste reptielen ontstaan?

a)

het tertiair

b)

het jura

c)

het carboon

d)

het perm

8.

Wat is de juiste omschrijving bij het begrip evolutie?

a)

Evolutie is een ontwikkeling, waarbij steeds ingewikkelder gebouwde organismen ontstaan

b)

Evolutie is de geleidelijke ontwikkeling van het leven op aarde, waarbij soorten ontstaan, veranderen en/of verdwijnen

c)

Evolutie is het ontstaan van een nieuwe soort, doordat een andere soort uitsterft.

9.

In Azië is een kaakbeen met kiezen van een oerwalvis gevonden. Men schat dat de resten 48 miljoen jaar oud zijn.

In Nederland worden regelmatig resten gevonden van uitgestorven mammoeten. In de afbeelding zijn een schedel en een kies van zo’n mammoet getekend. Uit zulke resten kan men afleiden wat voor voedsel die dieren aten.

Het voedsel van de oerwalvis is vooral ....1....

Het voedsel van de mammoet is vooral ....2....

a)

1=dierlijk / 2=plantaardig

b)

1=plantaardig / 2=dierlijk

c)

1 en 2 dierlijk

d)

1 en 2 plantaardig

10.

Aan welke groep zijn de gorilla’s het meest verwant volgens de stamboom?

a)

aan de apen van de oude wereld

b)

aan de apen van de nieuwe wereld

c)

aan de chimpansees

d)

aan de gibbons

11.

Welk snaveltype hoort bij een vinkje die het vaakst kleine zaden eet of insectjes?

a)

snavel 1

b)

snavel 2

c)

snavel 3

d)

snavel 4

12.
Dieren die allebei vliegen met hun vleugels zijn altijd verwant.
a)

Niet waar, want de vleugels kunnen analoog zijn

b)

Niet waar, want de vleugels kunnen homoloog zijn

c)

Waar, want de vleugels kunnen analoog zijn

d)

Waar, want de vleugels kunnen homoloog zijn

13.
 ..... zijn organen met hetzelfde bouwplan waarvan de oorspronkelijk functie door veranderende omstandigheden in de loop van de evolutie zijn aangepast
a)
analoge organen
b)
homologe organen
c)
rudimentaire organen
14.
Welke van de volgende ideeën hebben de evolutietheorieën van Darwin als Lamarck gemeenschappelijk?
a)
Adaptatie is het resultaat van interactie tussen een organisme en zijn omgeving.
b)
Adaptatie is het resultaat van het gebruiken of niet gebruiken van een anatomische structuur.
c)
Onderzoek naar fossielen geeft aan dat soorten onveranderlijk zijn.
d)
Evolutie drijft een organisme naar een grotere complexiteit.
15.
Welke van de onderstaande omschrijvingen van een proces geeft of welke geven een juiste omschrijving van (een deel van) het begrip natuurlijke selectie?
1. Een proces dat het verdwijnen van soorten met ongunstige genen bevordert.
2. Een proces waardoor genfrequenties veranderen onder invloed van veranderende milieufactoren.
a)
Geen van beide omschrijvingen
b)
Alleen omschrijving 1
c)
Alleen omschrijving 2.
d)
Zowel omschrijving 1 als omschrijving 2.
16.

Wat is geen argument voor evolutie?

a)

De mens is veel slimmer dan andere dieren

b)

Rudimentaire organen

c)

Overeenkomsten in bouw van organen

d)

Overeenkomsten in embryonale ontwikkeling

17.

Reproductieve isolatie kan ontstaan door

1. geografische isolatie

2. verschillen in gedrag

3. verschillen in tijd

Welk(e) van deze opties kan/kunnen van toepassing zijn op planten?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

1 en 2

e)

1 en 3

18.

In de uiterwaarde staan veel verschillende kruidachtige planten. Vier voorbeelden zijn:

1. Jacobaea vulgaris (Jacobskruid)

2. Silene vulgaris (Blaassilene)

3. Urtica dioica (Grote brandnetel)

4. Silene dioica (Dagkoekoeksbloem)

Welke van deze vier zijn het dichts verwant?

a)

1 en 2

b)

3 en 4

c)

2 en 4

d)

1 en 4

e)

2 en 3

19.

Welke stoffen zijn allemaal organisch?

a)

Glucose, CO2 en aminozuren

b)

Vet, zetmeel en zuurstof

c)

Water, stikstof en ijzer

d)

Zetmeel, eiwitten en alcohol

20.

Wat is een juist verschil tussen plantencellen en bacteriecellen?

a)

Plantencellen hebben een celwand en bacteriën niet

b)

Plantencellen hebben een celkern en bacteriën niet

c)

Plantencellen hebben een celmembraan en bacteriën niet

d)

Plantencellen hebben DNA en bacteriën niet

e)

Plantencellen hebben cytoplasma en bacteriën niet

21.

In de afbeelding zie je vier diagrammen.

Welk diagram geeft een deel van de indeling van de planten juist weer?

a)

a

b)

b

c)

c

d)

d

22.

Bacteriën zijn prokaryoten.

Waaruit bestaat het voedsel van de meeste bacteriën?

a)

uit dode resten van organismen

b)

Uit voedingszouten uit de bodem

c)

uit co2 en water

d)

uit levend weefsel van andere organismen

23.

In de afbeelding zie je de besmetting van een bacterie door een virus. De tekeningen staan niet in de juiste volgorde.

Zet de letters van de tekeningen in de juiste volgorde.

a)

q - r - p - s

b)

s- p - q - r

c)

r - q - p - s

d)

r - q - s - p

24.

Wat zijn plasmiden?

a)

Eencellige archaea

b)

kleine kringvormige chromosomen bij bacteriën

25.

Stammen wij af van chimpansees of hebben mensen en chimpansees een gemeenschappelijke voorouder?

a)

Mensen stammen af van chimpansees

b)

Chimpansees en mensen hebben een gemeenschappelijke voorouder

26.

Hoe past een schol zich aan aan zijn levensomstandigheden? (schol = een platvis)

a)

Schubben van deze vis zijn extra stekelig.

b)

Kop kan hij 270° draaien.

c)

Zandkleurige rug

27.

Welke van deze structuren zijn homoloog?    

a)

De vleugels van nachtegalen en sprinkhanen

b)

De voorpoten van vleermuizen en walvissen

c)

Het hart van kevers en hagedissen

d)

Het skelet van krabben en schildpadden