wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taal actief groep 6 thema 5

Total questions: 62

Worksheet time: 2hrs 4mins

Name
Class
Date
1.

Wat betekent het volgende woord?

De natuurramp

a)

Als er lange tijd geen regen valt en planten en dierern sterven

b)

Een grote ramp die door de natuur (en dus niet door mensen) ontstaat.

c)

Een probleem

2.

Wat betekent het volgende woord?

fossiele energie

a)

energie uit bronnen die niet kunnen opraken, zoals wind en water

b)

energie uit bronnen die kunnen opraken, zoals olie en gas.

3.

Wat betekent het volgende woord?

de energie

a)

Kracht die omgezet kan worden in licht, warmte en beweging.

b)

Energie uit bronnen die niet kunnen opraken, zoals wind en water.

c)

Energie uit bronnen die kunnen opraken, zoals olie en gas.

4.

Maak van twee zinnen één zin met het voegwoord.

Ik ging weg. Het begon te regenen.

a)

nadat

b)

voordat

c)

terwijl

5.

Maak van twee zinnen één zin met het voegwoord.

Ik poets mijn tanden. Ik ga naar school.

a)

voordat

b)

nadat

c)

zolang

6.

Maak van twee zinnen één zin met het voegwoord.

We waren op vakantie. Het regende.

a)

nadat

b)

voordat

c)

terwijl

d)

zolang

7.

Welk voegwoord staat in de zin?

We kampeerden in Spanje, nadat het flink geregend had.

(a)  

8.

Welk voegwoord staat in de zin?

We kampeerden in Spanje, terwijl er een hittegolf was.

(a)  

9.

Welk voegwoord staat in de zin?

Zolang het mooi weer is, blijven we in Nederland.

(a)  

10.

Welk voegwoord staat in de zin?

We speelden buiten, totdat het donker werd.

(a)  

11.

Welk voegwoord staat in de zin?

We moesten naar binnen, voordat het donker werd.

(a)  

12.

Welk voegwoord staat in de zin?

Nadat ik binnenkwam, begon het te plenzen.

(a)  

13.

Kan je in deze zin je door jij vervangen?

Weet je het antwoord of gok je het?

a)

ja

b)

nee

14.

Kan je in deze zin je door jij vervangen?

En Belle, blijf je nog?

a)

Ja

b)

nee

15.

Kan je in deze zin je door jij vervangen?

En blijft je zus ook?

a)

nee

b)

ja

16.

Kan je in deze zin je door jij vervangen?

Denk je zelf wel eens na over het milieu?

a)

nee

b)

ja

17.

Kan je in deze zin je door jij vervangen?

Heeft je broer de verwarming lager gezet?

a)

ja

b)

nee

18.

Kan je in deze zin je door jij vervangen?

Brandt je kamerlamp dag en nacht?

a)

ja

b)

nee

19.

Kan je in deze zin je door jij vervangen?

Spoelt je toilet door met drinkwater of gebruikt het regenwater?

a)

ja

b)

nee

20.

Kan je in deze zin je door jij vervangen?

Wanneer neemt je vader weleens de fiets?

a)

ja

b)

nee

21.

Wat betekent het woord.

poolklimaat

a)

het gemiddelde weer in het gebied op en rond de Noordpool en Zuidpool.

b)

Het gemiddelde weer in het gebied in en bij een woestijn. Het regent daar weining.

22.

Wat betekent het woord.

Legaal

a)

Als iets mag volgens de wet, bijvoorbeeld oversteken op een zebrapad.

b)

Als iets niet mag van de weg, bijvoorbeeld 's avonds fietsen zonder licht.

23.

Kies het goede woord in de zin.

Gisteren zag ik op het Jeugdjournaal dat de beperking/vervuiling van het milieu steeds erger wordt.

a)

beperking

b)

vervuiling.

24.

Kies het goede woord in de zin.

Het weggooien van kleren is gewoon illegaal/legaal, maar het levert wel extra veel afval op.

a)

illegaal

b)

legaal

25.

Kies het goede woord in de zin.

Als je geen kleding weggooit, besef/beperk je de hoeveelheid afval.

a)

besef

b)

beperk

26.

Wat is de persoonsvorm in de zin?

mijn vader kon in Nederland werken.

(a)  

27.

Wat is de persoonsvorm in de zin?

Mijn oma heeft een bontjas voor me genaaid.

(a)  

28.

Wat is de persoonsvorm in de zin?

Zelfs mijn opa moest bijna huilen bij ons vertrek.

(a)  

29.

Wat is de persoonsvorm in de zin?

Zeehondjes worden nog steeds massaal gedood.

(a)  

30.

Wat is de persoonsvorm in de zin?

Wij willen deze barbaarse jacht beperken.

(a)  

31.

Wat is de persoonsvorm in de zin?

We gaan de zeehondenjacht uitbeelden.

(a)  

32.

Wat is de persoonsvorm in de zin?

De mensen moeten de waarheid beseffen.

(a)  

33.

Schrijf het hele werkwoord op.

Op een wintermorgen doet Ise haar jas uit.

(a)  

34.

Schrijf het hele werkwoord op.

De mensen kijken haar verbaasd na.

(a)  

35.

Schrijf het hele werkwoord op.

Straks vat zij nog kou.

(a)  

36.

Schrijf het hele werkwoord op.

Mijn vader geeft les in een andere stad.

(a)  

37.

Schrijf het hele werkwoord op.

Hij gaat al heel vroeg weg.

(a)  

38.

Schrijf het hele werkwoord op.

Hij stapt meestal in de trein.

(a)  

39.

Schrijf het hele werkwoord op.

Daar eet hij zijn broodje op.

(a)  

40.

Schrijf het hele werkwoord op.

In de trein bereidt hij zijn lessen nog een beetje voor.

(a)  

41.

Welk woord past het best bij de zin?

Het maakt niet uit wat je kiest, het is allebei hetzelfde.

a)

bioloog

b)

lood om oud ijzer

c)

gering

42.

Welk woord past het best bij de zin?

Voordeel halen uit iets.

a)

profiteren

b)

pleiten

c)

schuilen

43.

Welk woord past het best bij de zin?

Wetenschapper die zich bezighoudt met alles wat leeft.

a)

bioloog

b)

pleiten

c)

gering

44.

Welk woord past het best bij de zin?

Een betoog houden om iets voor elkaar te krijgen.

a)

profiteren

b)

schuilen

c)

pleiten

d)

gering

45.

Waar ga je zoeken in het woordenboek?

Schrijf het basiswoord op.

arbeiders

(a)  

46.

Waar ga je zoeken in het woordenboek?

Schrijf het basiswoord op.

fonteintje

(a)  

47.

Waar ga je zoeken in het woordenboek?

Schrijf het basiswoord op.

automobilisten

(a)  

48.

Waar ga je zoeken in het woordenboek?

Schrijf het basiswoord op.

astronautje

(a)  

49.

Waar ga je zoeken in het woordenboek?

Schrijf het basiswoord op.

bouwvakkertje

(a)  

50.

Wat is pleiten?

a)

Een betoog houden om iets gedaan te krijgen.

b)

Een gesprek voeren om iets te weten te komen.

c)

Een mening geven om iets duidelijk te maken.

51.

Zomaar iemand slaan, is barbaars.

Wat is een ander woord voor barbaars?

a)

Beheerst

b)

Formeel

c)

Vreemd

d)

Wreed

52.

'Binnen welke termijn ga het werk afmaken?'

Wat is een ander woord voor termijn?

a)

periode

b)

plaats

c)

ruimte

53.

Schrijf alle werkwoorden op.

Je hebt dan het gezegde.

De familie Rolvink gaat energie besparen.

(a)  

54.

Schrijf alle werkwoorden op.

Je hebt dan het gezegde.

Vader Laurens kan ook best fietsen.

(a)  

55.

Schrijf alle werkwoorden op.

Je hebt dan het gezegde.

De was wordt buiten gedroogd.

(a)  

56.

Schrijf alle werkwoorden op.

Je hebt dan het gezegde.

Ze laten zonnepanelen op het dak zetten.

(a)  

57.

Schrijf alle werkwoorden op.

Je hebt dan het gezegde.

En Lelie moet voortaan korter douchen.

(a)  

58.

Schrijf alle werkwoorden op.

Je hebt dan het gezegde.

Arme Jarmo mag de verwarming niet hoog zetten.

(a)  

59.

Schrijf alle werkwoorden op.

Je hebt dan het gezegde.

De prijs ligt wat hoger.

(a)  

60.

Schrijf alle werkwoorden op.

Je hebt dan het gezegde.

Maar ze blijven een veel langere periode branden.

(a)  

61.

Schrijf alle werkwoorden op.

Je hebt dan het gezegde.

Je zult er veel energie mee bespraren.

(a)  

62.

Schrijf alle werkwoorden op.

Je hebt dan het gezegde.

Je leerkracht kan het verschil wel uitrekenen.

(a)