wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taal en lezen in de middenbouw

Total questions: 31

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

Leren voor een proefwerk, welke leesstrategie?

a)

orienterend lezen

b)

zoekend lezen

c)

studerend lezen

d)

intensief lezen

2.

Na gaan of een tekst bruikbaar is, welke leesstrategie?

a)

zoekend lezen

b)

studerend lezen

c)

orienterend lezen

d)

intensief lezen

3.

Voegwoorden in een tekst, welke leesvaardigheid?

a)

relaties binnen de tekst kunnen leggen

b)

de betekenis van woord(groepen) bepalen

c)

relaties buiten de tekst kunnen leggen

d)

bepalen van het leesdoel

4.

Waar gaat de tekst over? Wat weet ik er al van? Wat wil ik nog meer weten? Deze leerling maakt gebruik van instructiemethode:

a)

stappenplan

b)

hardop denken

c)

modelen

d)

gerichte aanwijzingen

5.

Verhalen van dit genre spelen zich af in de leef- en belevings wereld van hedendaagse - kinderen.

a)

Historische verhalen

b)

Fantasie verhalen

c)

Hier en nu verhalen

d)

Griezelverhalen

6.

verhalen met een historische sfeer, zonder dat er historische gebeurtenissen of namen genoemd worden die bevestigen wanneer dit verhaal zich afspeelt (nadruk op verbeelding; omdat de kleding van de personages vaak uitvoerig beschreven wordt – zodat de sfeer historisch is –

a)

costume novels

b)

fantasieverhalen

c)

informartieve geschiedenis-verhalen

d)

griezelverhalen

7.

Tijdens deze module lees je:

Mus & Kapitein Kwaadbaard en de 5 Slangen van Kevin Hassing + ..

a)

1 ander middenbouwboek na 2017

b)

2 andere middenbouwboeken na 2017

c)

3 andere middenbouwboeken na 2017

d)

4 andere middenbouwboeken na 2017

8.

kerndoel 9

De leerlingen krijgen plezier in het lezen van voor hen bestemde verhalen, gedichten en informatieve teksten

a)

jeugdliteratuur

b)

begrijpend lezen

c)

technisch lezen

d)

studerend lezen

9.

Er zijn verschillen functies bij stellen. Welke functie is van toepassing als iemand een betoog schrijft?

a)

informeren

b)

instrueren

c)

overtuigen

d)

plezier verschaffen

10.

Stellen kent verschillende instructiemethoden. Van welke is sprake als de leerkracht een een gedicht voorleest voor de klas en de leerlingen daarna een gedicht laat schrijven?

a)

hardop denken

b)

gerichte aanwijzingen geven

c)

stappenplan aanbieden

d)

voorbeelden laten zien

11.

m | ui | s

a)

elementaire leeshandeling

b)

clusters + spellingpatronen

c)

visuele woordvorm

d)

morfologische analyse

12.

Yessin wil een goede Citotoets maken en later tandarts worden. Eigenlijk wil hij niet meedoen met Ali’s streken, maar als hij niet meedoet, hoort hij er niet bij. Per ongeluk raakt Yessin betrokken bij een heel fout plan van Yessin en zijn broers. Hij heeft het gevoel dat hij geen kant meer op kan en weet niet wie hij om hulp kan vragen.

a)

Griezelverhaal

b)

Hier en nu verhaal

c)

Historisch verhaal

d)

Fantasie verhaal

13.

beer - veer - heer

deur - geur -zeur

Welke leesstrategie?

a)

lezen met behulp van clusters en spellingpatronen

b)

lezen met behulp van de visuele woordvorm

c)

lezen met behulp van de morfologische analyse

d)

Hier hoort geen strategie bij

14.

Als een leerling spellend leest dan kun je de leerling helpen door hem ...

a)

een dialoogvenster aan te bieden

b)

een gatentekst aan te bieden

c)

een gedicht aan te bieden

d)

te zeggen dat hij dat niet moet doen

15.

Een tekst in stukken knippen en de leerlingen de tekst in de goede volgorde laten leggen. Welke vaardigheid?

a)

structuur van een tekst herkennen

b)

relaties buiten de tekst leggen

c)

relaties binnen de tekst leggen

d)

doel van een tekst vaststellen

16.

Wat hoor je vooraan in boek?

a)

auditieve synthese                                      

b)

letterpositie bepalen

c)

visuele synthese

 

d)

klankpositie bepalen

17.

 

Een leerling leest het volgende wisselrijtje:

 strooi

strak

stroop

Welke leesstrategie wordt door het lezen van dit wisselrijtje bevorderd?

a)

lezen met behulp van de visuele woordvorm

b)

lezen met behulp van clusters en spellingpatronen               

c)

lezen met behulp van een stappenplan

d)

lezen met behulp van morfologische analyse

18.

Welk van onderstaande genres is het meest geschikt voor middenbouwleerlingen?

a)

oorlogsverhalen

b)

fantasieverhalen

c)

detectiveverhalen

d)

liefdesverhalen

19.

Juf Kristel wil de leerlingen de spellingcategorie van woorden met een au (zoals lauw en dauw) aanleren.

Welk instructieprincipe kan zij het best inzetten?

a)

 

aanleren door analogie-redenering

b)

aanleren door inprenting

c)

aanleren van een regel

d)

aanleren van woordrijtjes

20.

Leg met deze letters een woord: b,a,d

Welke deelvaardigheid van het lezen hoort erbij?

a)

visuele analyse

b)

klankpositie bepalen

c)

temporeel ordenen

d)

visuele synthese

21.

Hoe kun je woordjes met een au (lauw) het best aanleren?

a)

aanleren met een regel (welke regel is dat dan?)

b)

aanleren door te vergelijken met andere woorden (analogie)

c)

gewoon uit je hoofd leren want er bestaat geen regel voor (inprenten)

d)

met de elementaire leeshandeling

22.

Jouw leerlingen hebben allemaal een onvoldoende gescoord met een dictee. Je wilt dit analyseren: hoe kan dit nu?

Welke analyse is het moeilijkst?

a)

instructieanalyse (ligt het aan jou?)

b)

procesanalyse (ligt het aan het proces?)

c)

taakanalyse (ligt het aan de opdracht?)

d)

...

23.

De muis eet een stuk kaas. Schrijf op: muis

a)

zindictee

b)

woorddictee

c)

kerndictee

d)

luisterdictee

24.

 

a)     Maak woorden op -lijk.

pijn-

afschuw-

land-

a)

morfologisch

b)

semantisch

c)

syntactisch

d)

orthografisch

25.

a)     Bedenk rijmwoorden op:

boom

kerk

hond

a)

syntactisch

b)

orthografisch

c)

semantisch

d)

fonologisch

26.

Als we de taal op ....niveau bekijken, dan letten we op de spelling van de taal. Met andere woorden: hoe schrijf je een woord

a)

semantisch

b)

orthografisch

c)

syntactisch

d)

fonologisch

27.

De vertelde tijd van Mus en Kwaadbaard en de vijf slangen

a)

enkele uren

b)

enkele dagen

c)

enkele weken

d)

enkele maanden

28.

Welk thema past NIET bij Mus en Kwaadbaard en de vijf slagen

a)

moed

b)

behulpzaamheid

c)

familiebanden

d)

handicap

29.

Bij het evalueren van een stelopdracht moet een leerkracht op verschillende zaken letten.

a)

De leerkracht moet bij de evaluatie de teksten van alle leerlingen op hetzelfde niveau beoordelen.

b)

De leerkracht mag bij de evaluatie alleen het product zelf – en niet het proces – beoordelen.

c)

De leerkracht mag geen onvoldoendes geven voor stelopdrachten

d)

De leerkracht moet de leerlingen van tevoren laten weten waar hun tekst op beoordeeld wordt.

30.

Wat is een historisch psychologisch kinderboek

a)

een boek met elementen uit het verleden

b)

een boek met een plot (verhaal + hoofdpersonen)

c)

een boek met elementen uit het verleden EN een plot (verhaal + hoofdpersonen)

d)

een sciencefictionboek

31.

Juf Lois wil te komen hoe de kinderen de stelopdracht aangepakt hebben.

Welke evaluatievorm kan ze het best hanteren?

a)

werkbespreking

b)

beoordelings-schaal

c)

schrijfdossier

d)

cijfer geven