wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H1 (Arm en Rijk)

Total questions: 35

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.

Waar heeft iemand last van als hij/zij onder de armoedegrens leeft

a)

Die mensen hebben niet genoeg geld voor eten, kleding en een dak boven hun hoofd

b)

Die mensen hebben geen tijd om te werken

c)

Die mensen hebben geen zin om te werken, omdat zij al geld genoeg hebben

2.

Het begrip ondervoeding betekent...

a)

Dat iemand te weinig eten binnenkrijgt

b)

Dat iemand heel veel slecht eten heeft gegeten

c)

Dat iemand heel ziek is geworden van eten

3.

Wat voor banen komen voor in een Scharreleconomie

a)

Bedelen, slippers maken van vuilnisbanden

b)

Vuilnisman, Schoonmaker

c)

Politieagent, militairen

4.

Wat betekent het woord krottenwijk? Kies de twee goede antwoorden.

a)

Een krottenwijk is een illegaal gebouwde wijk

b)

Een krottenwijk is voor mensen die niet genoeg geld hebben om in de stad te kunnen wonen

c)

Een krottenwijk is een veilige wijk voor rijkere mensen

d)

Een krottenwijk is een nette wijk met goede winkels

5.

Wat betekent het begrip globalisering

a)

Het proces waarbij plaatsen in de wereld steeds meer met elkaar verbonden zijn

b)

Het proces waarbij plaatsen in de wereld steeds minder met elkaar praten

c)

Het proces waarbij landen zich meer richten op zichzelf

6.

Een analfabeet is iemand die ...

a)

Niet kan lezen en schrijven

b)

Goed is in rekenen

c)

Goed is in lezen en schrijven

d)

Niet kan rekenen

7.

in ontwikkelingslanden werken veel mensen in de landbouwsector

a)

Waar

b)

Niet waar

8.
Wat is het bnp per hoofd van de bevolking?
a)
Het bnp/hoofd is alle inkomsten van een land gedeeld door de beroepsbevolking.
b)
Het bnp/hoofd is het gemiddeld inkomen van een land.
c)
Het bnp/hoofd is alle inkomsten gedeeld door alle mensen die in een land wonen.
d)
Het bnp/hoofd is het gemiddeld inkomen van de beroepsbevolking.
9.
Beoordeel de volgende stellingen. Welke is juist?
I De hoogte van het analfabetisme zegt iets over het welzijn in een land.
II Het percentage mensen dat in de landbouw werkt, zegt iets over de welvaart in een land.
a)
Alleen I is juist.
b)
Alleen II is juist.
c)
Beide zijn juist.
d)
Beide zijn onjuist.
10.
Abena woont in Ghana. Ze is twaalf, gaat niet naar school en verkoopt sandwiches die haar moeder heeft gemaakt op straat.Welke uitspraak is juist?
a)
Dit meisje werkt in de formele sector als verkoopster.
b)
Dit meisjes werkt in de informele sector, zij heeft geen vast inkomsten.
c)
Dit meisje werkt in de informele sector en verdient een vast salaris.
d)
Dit meisje werkt in de formele sector, haar inkomsten wisselen per dag.
11.
Welke soort ongelijkheid kan je op een kaart afbeelden?
a)
Sociale ongelijkheid
b)
Regionale ongelijkheid
c)
Geen van beide
d)
Allebei 
12.
Noem een nadeel van het bnp/hoofd
a)
De verschillende muntsoorten maken vergelijken lastig.
b)
Dit geeft niet aan of er grote verschillen in welvaart zijn.
c)
Landen met veel inwoners zullen een hoger bnp/hoofd hebben
13.

Vervanging van menselijke arbeid door machines of robots, waardoor een proces automatisch verloopt.

(a)  

14.

Verbetering van de genen van planten, zodat ze meer opbrengen, sneller groeien of beter bestand zijn tegen ziekten en klimaatverandering.

(a)  

15.

Hoe zou het landschap eruit zien als er intensieve veeteelt in dit gebied zou zijn?

a)

De koeien zouden veel meer verspreid zijn (minder koeien per hectare).

b)

De boeren zouden de koeien in Jeeps bijeen drijven.

c)

Je zou in de verte grote steden met wolkenkrabbers zien liggen.

d)

Je zou akkers met irrigatie zien.

e)

Je zou megastallen met veel koeien erin zien.

16.

Wat gebeurt er met de bevolkingsdichtheid als je van New York naar Cheyenne reist?

a)

is de bevolkingsdichtheid eerst laag, en wordt verder naar het westen steeds lager.

b)

is de bevolkingsdichtheid eerst laag, en wordt verder naar het westen steeds hoger.

c)

is de bevolkingsdichtheid eerst hoog, en wordt verder naar het westen steeds lager.

d)

is de bevolkingsdichtheid eerst hoog, en wordt verder naar het westen steeds hoger.

e)

blijft de bevolkingsdichtheid overal ongeveer even hoog.

17.

Welke afbeelding hoort bij A?

a)
b)
c)
d)
18.

Op de foto zie je ...

a)

intensieve landbouw met een lage opbrengst per hectare

b)

intensieve landbouw met een hoge opbrengst per hectare

c)

extensieve landbouw met een hoge opbrengst per hectare

d)

extensieve landbouw met een lage opbrengst per hectare

19.

Welke bevolkingsgroep in Detroit heeft het meeste last gehad van automatisering

a)

De Anglo-Amerikanen

b)

De Aziatische Amerikanen

c)

Hispanics

d)

Afro-Amerikanen

20.

Wat zijn 2 voorbeelden die de werkeloosheid in Detroit hebben veroorzaakt? (2)

a)

Voorzieningen verdwijnen

b)

Leefomgeving verslechterd

c)

De Lorenzcurve neemt toe

d)

Er zijn meer welvaartsziekten

e)

De automatisering neemt af

21.

Waarom nam de kwaliteit van het onderwijs en gezondheidszorg af in Detroit?

a)

Doordat de werkgelegenheid af nam

b)

Het stadsbestuur kreeg minder inkomsten omdat er minder rijke bewoners zijn

c)

De auto industrie verdwijnt naar Aziatische landen

d)

De komst van Afro Amerikanen zorgde voor een grotere groep die ongeschoold werk deden

22.

Welke onderdelen horen bij de HDI (Human Devolpment Index)? (3)

a)

BNP per persoon

b)

Levensverwachting

c)

Scholing

d)

Zuigelingensterfte

e)

Percentage Inentingen

23.

Wat is een monocultuur?

a)

Een cultuur in het land

b)

Het verbouwen van 1 gewas

c)

Een wijk met veel overeenkomsten

d)

Een land met weinig verschil tussen arm en rijk

24.

Noem drie menselijke factoren die de enorme Amerikaanse landbouw productie verklaren

a)

Het land is geschikt voor landbouw

b)

Veel gebruik van machines

c)

Gunstig klimaat

d)

Veel gebruik van bestrijdingsmiddelen

e)

Genetisch gemodificeerde producten

25.

Bekijk de figuur

→ Wat is de belangrijkste voorwaarde om ervoor te zorgen dat de wijk op de foto van de figuur weer door meer mensen bewoond zal worden?

a)

de aanwezigheid van winkels

b)

de aanwezigheid van parken

c)

de aanwezigheid van werk

d)

de aanwezigheid van goede scholen en ziekenhuizen

26.

Hoort deze bevolkingsgrafiek bij een arm of een rijk land?

a)

Deze bevolkingsgrafiek hoort bij een arm land.

b)

Deze bevolkingsgrafiek hoort bij een rijk land.

c)

Deze bevolkingsgrafiek hoort bij een land dat niet rijk en niet arm is.

27.

De totale bevolkingsgroei van een land per jaar reken je als volgt uit:

a)

(geboorte - sterfte) + (immigratie - emigratie)

b)

(geboorte + sterfte) + (immigratie + emigratie)

c)

(geboorte - sterfte) - (immigratie - emigratie)

d)

(geboorte + sterfte) - (immigratie + emigratie)

28.

Wat past bij de stedelijke ontwikkeling van westerse steden vanaf 1960?

a)

Suburbanisatie

b)

De bouw van grote ruim opgezette buitenwijken

c)

Urbanisatie

d)

De vorming van een of meerdere randsteden

e)

Daling van de woningprijs

29.

Hoe is een stad opgebouwd? Zet de wijken in de juiste volgorde van binnen naar buiten.

1 Binnenstad

2 Laagbouwwijken

3 Negentiende-eeuwse wijken

4 Vinex-wijken

a)

3 - 1 - 4 - 2

b)

1- 2- -3- 4

c)

4 - 2 - 3 - 1

d)

1 - 3 - 2 - 4

30.

Het afbreken van huizen of zelfs wijken; daarvoor komt nieuwbouw in de plaats.

a)

renovatie

b)

sanering

c)

herstructurering

31.

Het HDI bestaat uit:

a)

BNP, analfabetisme, levensverwachting

b)

BBP, analfabetisme, levensverwachting

c)

BRP, analfabetisme, levensverwachting

32.

Welke uitspraak over Nederland is juist?

a)

De noordelijke provincies zijn het dichtst bevolkt.

b)

De provincies Noord-Holland en Zuid-Holland zijn het dichtst bevolkt.

c)

De Randstad van Nederland is het dichtst bevolkt.

d)

Het westen van Nederland is het dichtst bevolkt.

33.

Welke onderstaande zinnen zijn juist?

a)

De levensverwachting in arme landen is laag doordat de gezinnen groot zijn.

b)

In landen waar kinderen vaak jong sterven is de levensverwachting laag.

c)

Als in een land genoeg kennis is over hygiëne, wordt er riolering aangelegd.

d)

Ziekten als diarree zijn een oorzaak van de lage levensverwachting in arme landen.

e)

In rijke landen eet men gezonder dan in arme landen, dus is de levensverwachting hoger.

34.

Dit is een voorbeeld van...

a)

Restauratie

b)

Renovatie

35.

Randstad?

a)

Amsterdam

b)

Rotterdam

c)

Zeeland

d)

Utrecht

e)

Den haag