wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Hoofdstuk 7 B

Total questions: 21

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Elektriciteit wordt op verschillende manieren opgewekt.

Welke van de onderstaande manieren is niet duurzaam?

a)

Windmolens

b)

Zonnepanelen

c)

Kolencentrale

d)

Waterkracht

2.

Een kolencentrale verbrandt fossiele brandstoffen om elektriciteit op te wekken.

Waarom is dit geen duurzame energiebron?

a)

Fossiele brandstoffen raken uiteindelijk op.

b)

Bij verbranding komen broeikasgassen vrij die slecht zijn voor het milieu.

c)

De fossiele brandstoffen komen vanuit verre landen hierheen.

d)

Alle drie zijn goed.

3.

Hier zien we de binnenkant van een kolencentrale.

Welk onderdeel zet beweging om in elektriciteit?

a)

De generator

b)

De turbine / het schoepenrad

c)

De ketel

d)

De transformator

4.

Hier zien we de binnenkant van een kolencentrale.

Hoe heet het onderdeel dat de generator laat draaien?

a)

De schoorsteen

b)

De turbine / het schoepenrad

c)

De ketel

d)

De transformator

5.

Hier zien we de binnenkant van een kolencentrale.

Steenkool wordt verbrand om water te laten verdampen tot stoom. Waarom wordt dit gedaan?

a)

De stoom gaat langs de turbine waardoor deze gaat draaien.

b)

De stoom gaat naar de huizen voor warm water.

c)

De stoom gaat in de generator waardoor deze gaat draaien.

d)

De stoom gaat naar buiten via de schoorsteen.

6.

Wat is de overeenkomst tussen een kolencentrale, waterkracht en windmolens?

a)

Het zijn alle drie duurzame energiebronnen.

b)

Ze gebruiken alle drie een generator om draaiing om te zetten in elektriciteit

c)

Ze komen alle drie even veel voor in Nederland.

d)

Ze dragen alle drie bij aan het broeikaseffect.

7.

Op een fietswiel zit een dynamo. Welke uitspraak is juist over de dynamo?

a)

Als je fiets zorgt de dynamo ervoor dat je fietslichten aan gaan.

b)

Hoe harder je fietst, hoe feller je lampen branden.

c)

Als je niet fietst, wekt de dynamo geen stroom op.

d)

Alle uitspraken zijn juist.

8.

Welk rijtje bevat alleen maar spanningsbronnen.

a)

Batterij, dynamo, stopcontact, zonnepaneel.

b)

Batterij, dynamo, fiets, accu.

c)

Stopcontact, zonnepaneel, fossiele brandstoffen, generator.

d)

Accu, lamp, batterij, stopcontact.

9.

Elektriciteit stroomt van een spanningsbron naar een apparaat via draden. Hoe heet een materiaal waar elektriciteit goed door kan stromen?

(a)  

10.

En hoe heet een materiaal waar elektriciteit niet goed door kan stromen?

(a)  

11.

Door welke materialen kan elektriciteit goed stromen?

a)

Koper, ijzer, hout en kunststof

b)

Koper, ijzer, rubber en mineraalwater.

c)

Koper, touw, wol en hout.

d)

Koper, ijzer, koolstof en mineraalwater.

12.

Op schrikdraad staat een heel hoge spanning, soms wel tot 10 000 volt. Toch is het niet gevaarlijk als je het met je vinger aanraakt. Hoe komt dit?

a)

De stroomsterkte is erg laag en de schok is kort.

b)

Een schok is nooit gevaarlijk als je het met je vinger aanraakt.

13.

Bekijk het plaatje. Hoort de lamp nu aan te gaan?

a)

Ja, want de lamp is aangesloten op een spanningsbron.

b)

Ja, want een batterij heeft voldoende spanning om een lamp aan te krijgen.

c)

Nee, want de lamp is niet verbonden met beide kanten van de batterij.

d)

Nee, want de batterij heeft niet voldoende spanning om de lamp aan te krijgen.

14.

Hier zie je een schakelschema van een batterij, lampje en schakelaar. Brandt het lampje nu?

a)

Ja, want de lamp is aan de plus- en min-kant van de batterij verbonden.

b)

Ja, want de schakelaar is dicht.

c)

Nee, want de schakelaar is open.

d)

Nee, want de lamp is te ver weg van de batterij.

15.

Hier zie je een schakelschema met twee lampjes. Is dit een serieschakeling of een parallelschakeling?

a)

Serieschakeling

b)

Parallelschakeling

16.

Beide lampjes zijn aan omdat ze verbonden zijn met de batterij. Wat gebeurt er als lampje 1 kapot gaat?

a)

Dan gaat lampje 2 ook uit.

b)

Dan blijft lampje 2 aan.

17.

Twee lampjes zijn hier verbonden met een batterij. Is dit een serieschakeling of een parallelschakeling?

a)

Serieschakeling

b)

Parallelschakeling

18.

Wat gebeurt er met lampje 2 als lampje 1 kapot gaat?

a)

Dan blijft lampje 2 branden.

b)

Dan gaat lampje 2 ook uit.

19.

Thuis heb je verschillende schakelaars die elk een andere lamp aan en uit kunnen zetten. Zijn deze lampen parallel of in serie geschakeld?

a)

Parallel

b)

In serie

20.

Een föhn bevat een motor om lucht mee te blazen en een verwarmingselement om de lucht warm te maken.

Met een schakelaar kun je de motor aan zetten. Met een andere schakelaar kun je het verwarmingselement aan zetten.

Zijn deze in serie of parallel geschakeld?

a)

Parallel

b)

In serie

21.

In de school zitten brandalarmen. Als je een melder indrukt, gaan alle alarmen tegelijk af. Zijn deze in serie of in parallel geschakeld?

a)

In serie

b)

Parallel