wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Lezen H1 t/m 3

Total questions: 91

Worksheet time: 45mins

Name
Class
Date
1.

Welke tekstsoorten horen bij het tekstdoel informeren?

(Meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Een informatief artikel

b)

Recensie

c)

Betoog

d)

Gebruiksaanwijzing

2.

Welke tekstsoorten horen bij het tekstdoel overtuigen?

a)

Werkstuk

b)

Handleiding

c)

Advertentie

d)

Betoog

3.

Welke tekstsoorten horen bij het tekstdoel activeren?

(Meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Advertentie

b)

Verkiezingsaffiche

c)

Beschouwing

d)

Folder supermarkt

4.

Welke tekstsoorten horen bij het tekstdoel instrueren?

(Meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Handleiding

b)

Recept

c)

Stapsgewijze uitleg

d)

Betoog

5.

Welke tekstsoorten horen bij het tekstdoel amuseren?

(Meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Gebruiksaanwijzing

b)

Recensie

c)

Verhaal

d)

Recept

6.

Een informatieve tekst bevat feiten.

a)

Waar

b)

Niet waar

7.

Een activerende tekst roept de lezer op om actie te ondernemen.

a)

Waar

b)

Niet waar

8.

De bedoeling van de schrijver staat vaak

a)

In de titel

b)

In de eerste alinea

c)

In het middenstuk

d)

In het slot

9.
Ten eerste wil ik dat je goed luistert, daarnaast wil ik dat je stopt met vloeken. Welk tekstverband wordt uitdrukt in deze zin?
a)
Opsomming
b)
voorbeeld
c)
Reden
d)
tegenstelling
10.
Welk tekstverband hoort bij het signaalwoord
'zoals'?
a)
Voorbeeld
b)
reden
c)
oorzaak
d)
opsomming
11.
Welk signaalwoord hoort bij het tekstverband 'tegenstelling'?
a)
echter
b)
namelijk
c)
door middel van
d)
met als gevolg
12.
Welk signaalwoord hoort bij het tekstverband
'opsomming'?
a)
ten slotte
b)
aangezien
c)
zodat
d)
om
13.
Welk tekstverband gebruik je om verschillende dingen op een 'rijtje' te zetten of na elkaar te noemen?
a)
Opsomming
b)
Tegenstelling
c)
Voorbeeld
14.

Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband oorzaak-gevolg (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Waarmee

b)

Waardoor

c)

want

d)

daarom

15.

Welk signaalwoord geeft een opsomming aan?

a)

ook

b)

maar

c)

eerst

d)

doordat

16.
Je kunt een tekst in drieën delen. Welk antwoord is één van die drie delen?
a)

Inleiding

b)

Tussenkopje

c)

Hoofdgedachte

d)

Onderwerp

17.

In de inleiding van een tekst wordt bijna altijd het onderwerp genoemd. Naast het onderwerp wordt ook .... (vul aan) Welke is niet goed?

a)

de aanleiding voor het schrijven van de tekst genoemd.

b)

een voorbeeld bij het onderwerp gegeven.

c)

een belangrijke vraag gesteld.

d)

gevraagd naar het onderwerp van de tekst

18.
In het middenstuk van een tekst staan de ... Welk antwoord is goed?
a)
de grappige voorvallen
b)
deelonderwerpen
c)
de dingen die je geregeld wilt hebben.
d)
de aanhef
19.

Wat zijn onder andere de tekstdoelen?

a)

informeren, amuseren, signaalwoorden, activeren

b)

amuseren, informeren, activeren, overhalen

c)

activeren, overhalen, zoekend, informeren

20.

Voorbeelden van informatieve teksten zijn:

a)

recensie, ingezonden brief

b)

stripverhaal, leesboek

c)

advertentie, reclamefolder

d)

nieuwsbericht, handleiding

21.

Wat zijn verwijswoorden?

a)

Verwijswoorden verwijzen naar één of meer woorden in de tekst en soms naar een hele zin.

b)

Verwijswoorden verwijzen altijd naar één woord.

c)

Verwijswoorden verwijzen altijd naar meer woorden in een tekst.

22.

Wat zijn signaalwoorden?

a)

Signaalwoorden geven alleen een verband tussen woorden aan.

b)

Signaalwoorden geven alleen een verband tussen zinnen aan.

c)

Signaalwoorden geven een verband tussen woorden, zinnen of alinea's aan.

d)

Signaalwoorden zijn verwijswoorden.

23.

Signaalwoorden voor een opsomming zijn:

a)

maar, daarentegen, toch, echter, integendeel

b)

ten eerste, ook, bovendien, verder

c)

voordat, terwijl, tijdens, alvast, later

24.

Signaalwoorden van een tegenstelling zijn:

a)

maar, daarentegen, toch, echter, integendeel

b)

eerste, dan, daarna, vervolgens, ten slotte

c)

Bijvoorbeeld, een voorbeeld (hier)van is, zo, zoals, ter illustratie

25.

Signaalwoorden van een tijd zijn:

a)

eerste, dan, daarna, vervolgens, ten slotte

b)

maar, daarentegen, toch, echter, integendeel

c)

bijvoorbeeld, een voorbeeld (hier)van is, zo, zoals, ter illustratie

26.

Wat doe je met oriënterend lezen ?

a)

Bekijken of de tekst bruikbaar is

b)

Vinden van de hoofdzaken

c)

De tekst goed begrijpen

d)

Het vinden van bruikbare informatie

27.

Wat doe je met globaal lezen ?

a)

Bekijken of een tekst bruikbaar is

b)

Vinden van de hoofdzaken

c)

De tekst goed begrijpen

d)

Het vinden van bruikbare informatie

28.

Wat is het tekstdoel van een betogende tekst?

a)

Informeren

b)

amuseren

c)

overtuigen

29.

Is een feitelijk argument te controleren ?

a)

Ja

b)

Nee

30.

Aan welke signaalwoorden herken je een standpunt? (kies er drie)

a)

want

b)

dus

c)

ik denk dat

d)

immers

e)

daarom

31.

Een tegenargument gaat in tegen het...

a)

standpunt

b)

argument

32.

Je loopt met een scooter een grotere kans op een ernstig ongeluk dan op een fiets. Dit argument is...

a)

feitelijk

b)

waarderend

33.

Je moet niet sporten met een lege maag. Het glucosegehalte in je bloed daalt namelijk en dan kan je zelfs flauwvallen.

Als ik vol zit, gaat het sporten juist een stuk minder.

De dikgedrukte zin is een

a)

tegenargument

b)

weerlegging

34.

Wat is het standpunt in het volgende stukje?

Ik zal niets meer zeggen over de slechte kwaliteit van oude langspeelplaten. Als het over geluidskwaliteit gaat, neem jij toch niets van mij aan.

a)

Ik zal niets meer zeggen over de slechte kwaliteit van oude langspeelplaten.

b)

Als het over geluidskwaliteit gaat, neem jij toch niets van mij aan.

35.

Wat is het standpunt in het volgende stukje?

De meeste leerlingen van mijn klas willen nu eenmaal bowlen, dus ik ga me daar niet tegen verzetten. Het is bovendien goedkoper dan paintballen en karten en het is dichtbij school.

a)

De meeste leerlingen van mijn klas willen nu eenmaal bowlen.

b)

Dus ik ga me daar niet tegen verzetten.

c)

Het is bovendien goedkoper dan paintballen en karten.

d)

Het is dichtbij school.

36.

Juist of onjuist?

Informatie in teksten is altijd betrouwbaar.

a)

juist

b)

onjuist

37.

Kritisch lezen betekent dat je let

a)

op de illustraties die bij de tekst staan.

b)

op het doel van de tekst.

c)

op de bron van de tekst.

d)

op de titel en tussenkopjes van de tekst.

e)

op de deskundigheid van de schrijver.

38.

De bron van een tekst betekent

a)

wie de tekst geschreven heeft.

b)

waar je de tekst gevonden hebt.

c)

wat het doel is van de tekst.

39.

Als je bij kritisch lezen op de bron van een tekst let, kijk je

a)

naar de datum waarop de tekst is gepubliceerd.

b)

uit welke bron de tekst komt.

c)

naar het gebruikte lettertype.

d)

naar de afbeeldingen.

40.

Wanneer is een schrijver deskundig?

a)

Als hij zich uitgebreid in het onderwerp heeft verdiept.

b)

Als hij veel ervaring heeft met het onderwerp.

c)

Als hij het onderwerp leuk brengt.

d)

Als hij professor is.

e)

Als hij veel geld verdient.

41.

Bij het doel van de tekst moet je je afvragen...

a)

wanneer de schrijver de tekst heeft geschreven.

b)

wat de schrijver met de tekst wil bereiken.

c)

wat de aanleiding was voor het schrijven van de tekst.

42.

Wat doe je als je een tekst kritisch leest?

(a)  

43.

Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband tegenstelling?

a)

maar

b)

tevens

c)

dan

d)

als

44.
Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband oorzaak-gevolg?
a)
daarmee
b)
daardoor
c)
want
d)
daarom
45.

Welk tekstverband zie je tussen deze zinnen?


Slechte nachten zorgt voor chagrijnige mensen . Ook ongezonde voeding zorgt voor een slecht humeur.

a)

Tijdsvolgorde

b)

Tegenstelling

c)

Oorzaak-gevolg

d)

Opsomming

46.

Van welk tekstverband is hier sprake?


Hoewel hij niet van Spanje houdt, gaat hij er elk jaar heen.

a)

Opsomming

b)

Oorzaak-gevolg

c)

Tegenstelling

d)

Voorbeeld

47.

Welk tekstverband hoort er bij onderstaande zin?


Je moet eerst de bloemen schuin afsnijden, daarna doe je water in een vaas en als laatste doe je de bloemen in de vaas.

a)

Tijdsvolgorde

b)

Oorzaak-Gevolg

c)

Voorbeeld

d)

Tegenstelling

48.

Welk tekstverband zie je tussen deze zinnen?


Van te veel uv-straling kun je kanker krijgen. Daarom moet je je goed insmeren.

a)

Voorbeeld

b)

Opsomming

c)

Tegenstelling

d)

Oorzaak-gevolg

49.

Welk tekstverband zie je tussen deze zinnen.


Er was een weer-alarm afgegeven. Mijn vader ging onze caravan echter toch terugbrengen naar de stalling.

a)

Voorbeeld

b)

Opsomming

c)

Tegenstelling

d)

Oorzaak-gevolg

50.

Welk tekstverband zie je tussen deze zinnen?


Vancouver Island heeft ontzettend veel mooie natuur te bieden. Ook kun je er met een boot op zoek gaan naar walvissen en beren en zwemmen tussen de zalmen.

a)

Vergelijking

b)

Opsomming

c)

Tegenstelling

d)

Tijdsvolgorde

51.

Welk tekstverband zie je tussen de delen van deze zinnen?


Homer heeft een goed resultaat, omdat hij hard geleerd heeft.

a)

Opsomming

b)

Vergelijking

c)

Tijdsvolgorde

d)

Oorzaak-gevolg

52.

Welke bronnen zijn betrouwbaar? Geef alle bronnen aan die betrouwbaar zijn.

a)

NRC (krant)

b)

Trouw (krant)

c)

Nu.nl

d)

Wikipedia

e)

Henksblog.nl

53.

Een feitelijk argument is een argument

a)

Dat je kunt controleren

b)

Dat je eigen mening bevat

c)

Dat vaak niet waar is

d)

Dat altijd klopt

54.

Met een tegenargument ontkracht je

a)

een standpunt

b)

een argument

c)

een tekstgedeelte

d)

een mening

55.

Met een weerlegging ontkracht je

a)

een standpunt

b)

een argument

c)

een tekstgedeelte

d)

een mening

56.

Je kunt een standpunt onderscheiden van de argumenten.

a)

Na 'want' volgt het standpunt. Na 'dus' volgen de argumenten.

b)

Na 'want' volgt het argument. Na 'dus' volgt het standpunt.

c)

Een standpunt is hetzelfde als een argument.

d)

Een argument kun je niet onderscheiden van het standpunt.

57.

Wat is het argument:

'Er ligt een dun laagje ijs op de gracht. Het vriest kennelijk.'

a)

Er ligt een dun laagje ijs.

b)

Het vriest kennelijk.

c)

Er ligt een dun laagje ijs op de gracht. Het vriest kennelijk.

58.

Wat is het argument?

'Je mag doorrijden, het licht staat op groen.'

a)

Je mag doorrijden

b)

het licht staat op groen

c)

Je mag doorrijden, het licht staat op groen.

59.

Waar is een inleiding voor bedoelt?

a)

om de aandacht te trekken

b)

om je iets te leren

c)

om spanning op te bouwen

60.

Welke functie hoort er niet bij?

Een inleiding kan:

a)

de mening van de schrijver geven

b)

angst aanjagen

c)

samenvatting geven

d)

aanleiding geven

61.

Een samenvatting kan te herkennen zijn aan bijvoorbeeld het woord:

a)

Kortom

b)

Maar

c)

Daarom

62.

Wat is de functie van deze inleiding?


Anna van den Breemer schrijft elke week over een alledaags opvoedkundig probleem waarvoor ze een oplossing zoekt. Deze week: Hoe vrij moet je je kind laten in zijn of haar (spuuglelijke) kledingkeuze?


https://www.volkskrant.nl/de-gids/opvoeden-wat-als-je-kind-elke-dag-als-frozen-prinses-dan-wel-voetballer-gekleed-wil-gaan~b73c88bb/

a)

centrale vraag stellen

b)

samenvatten

c)

mening van de schrijver geven

d)

onderwerp beschrijven

e)

aanleiding geven

63.

Welke 3 functies kan een slot hebben?

a)

Advies geven

b)

Omkopen

c)

Conclusie geven

d)

Samenvatting geven

e)

Uitnodigen

64.

Signaalwoorden bij de functie Conclusie zijn:

a)

Daarom

b)

Dus

c)

Terwijl

d)

Dan ook

e)

Indien

65.

In een slot wordt er altijd een advies meegegeven.

a)

Waar

b)

Niet waar

66.

Welke signaalwoorden horen erbij het geven van advies?

a)

Dus, daarom, dan ook

b)

Het is raadzaam, het is beter, het beste is..

c)

Kortom, in het kort, samenvattend

67.

Een driedeling houdt in dat een tekst is opgebouwd uit:

(a)  

68.

Welke teksten horen bij het tekstdoel informeren? Meerdere antwoorden zijn juist.

a)

krantenartikel

b)

recept

c)

gedicht

d)

tekst uit leerboek

69.

Welke teksten horen bij het tekstdoel 'overtuigen'? Meerdere antwoorden zijn juist.

a)

grappig verhaal

b)

advertentie

c)

recensie / review

d)

ingezonden brief

70.

Welke teksten horen bij het tekstdoel 'overhalen/aansporen'? Meerdere antwoorden zijn juist.

a)

gebruiksaanwijzing

b)

reclametekst

c)

advertentie

d)

gedicht

71.

Bij welk tekstverband horen de volgende signaalwoorden: bijvoorbeeld, zo, zoals

a)

Voorbeeld

b)

Oorzaak-gevolg

c)

Doel en middel

d)

Conclusie

72.

Bij welk tekstverband horen de volgende signaalwoorden: maar, echter, toch, hoewel

a)

Opsomming

b)

Tegenstelling

c)

Tijd

d)

Doel en middel

73.

Bij welk tekstverband horen de volgende signaalwoorden: zodat, hierdoor, waardoor, hierdoor

a)

Toelichting

b)

Opsomming

c)

Conclusie

d)

Oorzaak en gevolg

74.

Welk functiewoord past bij de onderstaande omschrijving?

De schrijver noemt een actuele gebeurtenis die de auteur gebruikt om zijn tekst aan op te hangen.

a)

Anekdote

b)

Ontkrachting

c)

Aanleiding

d)

Karakterisering

75.

Bij welk tekstverband past het onderstaande signaalwoord?

evenals

a)

vergelijkend verband

b)

doel-middelverband

c)

voorwaardelijk verband

d)

toelichtend verband

76.

Welk tekstverband herken je in onderstaande tekst?

¨Dat een computer ooit een schaakgrootmeester zou verslaan? Onmogelijk! Grootmeesters zijn immers zo goed in schaken omdat ze intuïtie hebben, was het idee.”

a)

redengevend verband

b)

oorzakelijk verband

c)

voorwaardelijk verband

d)

toelichtend verband

77.

Wat klopt bij: betogende teksten

2 antwoorden goed

a)

doel: informeren

b)

doel: overhalen

c)

doel: overtuigen

d)

doel: instrueren

78.

Wat is verkennend lezen?

a)

Je leest alles

b)

Je leest van iedere alinea de eerste zin

c)

Je kijkt naar titel, tussenkopjes en plaatjes

d)

Je zoekt naar het antwoord op je vraag

79.

Wat is de hoofdgedachte van een betogende tekst?

a)

de argumenten

b)

de mening

c)

de mening met het hoofdargument

d)

de hoofdzaken

80.
Waar vind je meestal de hoofdgedachte van een tekst?
a)
Inleiding + slot
b)
Tweede alinea
c)
Kern
d)
Titel
81.
De titel is het onderwerp van een tekst
a)
Juist
b)
Onjuist
82.
De hoofdgedachte is ...
a)
Een zin met bijzaken
b)
Een zin met hoofdzaken en bijzaken
c)
Een zin waarin de belangrijkste informatie staat
d)
Een zin met de gedachten van de schrijver
83.
De hoofdgedachte vind je door ...
a)
Globaal te lezen
b)
Oriënterend te lezen
c)
Precies te lezen
84.
• Bekijk de tekst:  – Kijk naar de titel. – Kijk naar de foto’s en plaatjes bij de tekst.  –  Kijk naar lijstjes, rijtjes of schema’s die er misschien bij staan.  –  Kijk naar tussenkopjes (als die er zijn); een tussenkopje is de ‘titel’ van een tekstgedeelte.  – Let op anders gedrukte letters (vet, cursief, GROOT of gekleurd).  • Lees de eerste alinea; meestal is die vetgedrukt. • Geef antwoord op de vraag: waarover gaat deze tekst?
a)
zo vind je de alinea's
b)
zo vind je de hoofdgedachte
c)
zo vind het onderwerp
85.

welk plaatje is de activerende tekst?

a)
b)
c)
d)
86.

Welk plaatje is een informerende tekst?

a)
b)
c)
d)
87.

Welk tekstdoel hoort bij deze afbeelding?

a)

amuseren

b)

informeren

c)

overtuigen

d)

overhalen/activeren

e)

instrueren

88.

Welk tekstdoel hoort bij deze afbeelding?

a)

amuseren

b)

informeren

c)

overtuigen

d)

overhalen/activeren

e)

instrueren

89.

Welk tekstdoel hoort bij deze afbeelding?

a)

amuseren

b)

informeren

c)

overtuigen

d)

overhalen/activeren

e)

instrueren

90.

Welk tekstdoel hoor bij deze afbeelding?

a)

amuseren

b)

informeren

c)

overtuigen

d)

overhalen/activeren

e)

instrueren

91.

Welk tekstdoel hoort bij deze afbeelding?

a)

amuseren

b)

informeren

c)

overtuigen

d)

overhalen/activeren

e)

instrueren