wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Klas 1Oefentoets Hoofdstuk 4

Total questions: 18

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

Hoe ging de bevolking zich verdubbelen?

a)

Er kwamen grote steden

b)

Er was genoeg voedsel, door de uitvinding van de ploeg

c)

Mensen konden eten kopen op de markt

d)

Priesters gingen werken op de markt

2.

Wat is een voorbeeld van een stadsrecht?

a)

stadsmuren bouwen

b)

computers kopen

c)

eten verkopen op de markt

d)

belasting betalen

3.

Wie is een edelman?

a)

een graaf

b)

priester

c)

boer

d)

burger

4.

Wat zijn voorzieningen?

a)

pleinen waar mensen elkaar ontmoeten.

b)

boerderijen die voedsel verbouwen.

c)

diensten waar mensen gebruik van maken.

d)

gebouwen waar mensen kunnen wonen.

5.

Wat betekent urbanisatie?

a)

dat mensen van steden naar dorpen verhuizen

b)

dat de steden groter worden

c)

bevolkingsgroei

d)

infrastructuur

6.

stad met meer dan 10 miljoen inwoners

a)

Hoofdstad

b)

Megastad

c)

Wereldstad

7.

Een wijk met ruime huizen en een tuin ver van het centrum heet een

a)

binnenstad

b)

19e-eeuwse wijken

c)

hoogbouwwijken

d)

vinex-wijken

8.

In deze wijk wordt veel gewerkt en er staan wolkenkrabbers. De wijk heet

a)

laagbouwwijk

b)

hoogbouwwijk

c)

zakencentrum

d)

19e-eeuwse wijk

9.

stad waar meestal de regering van een land zit

a)

megastad

b)

wereldstad

c)

hoofdstad

10.

stad die internationaal belangrijk is

a)

wereldstad

b)

megastad

c)

hoofdstad

11.

Wat betekent infrastructuur?

a)

de wijken in een stad

b)

de verbindingen in de stad zoals wegen en riolering

c)

de bevolking van een stad

d)

alle gebouwen op een plek

12.

Hoe heet de periode waar de eerste steden ontstonden?

a)

tijd van Grieken en Romeinen

b)

tijd van jagers en boeren

c)

tijd van steden en staten

d)

middeleeuwen

13.

Wat werd er uitgevonden waardoor de grond van de boeren vruchbaar werd?

a)

de traktor

b)

de ploeg

c)

gebruik van ezels

d)

verbranden van de grond

14.

Als een gebied een éénheid wordt met een koning aan de macht noem je dit..

a)

centralisatie

b)

stadsrechten

c)

staatsvorming

d)

belasting

15.

Koningen gingen het land ook vanuit één plek besturen

a)

staatsvorming

b)

centralisatie

c)

schout

d)

graafschap

16.

Hoe heet de vergadering met de koning, geestelijken en de burgers?

a)

paleizen

b)

Staten-Generaal

c)

inspraak

d)

schout

17.

Een wijk met zelfgemaakte huizen, geen waterleiding en elektriciteit

a)

zakencentrum

b)

laagbouwwijken

c)

krottenwijken

d)

binnenstad

18.

Christenen trokken die op reis gaan om voor hun geloof te vechten

a)

excursies

b)

inventies

c)

kruistochten

d)

vakanties