wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Lever V5

Total questions: 19

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

Verschillende aminozuren kunnen bij de mens in de lever worden gesynthetiseerd. Van welke stof of stoffen zijn de daarbij gebruikte NH2-groepen afkomstig?

a)

nitraten

b)

ureum

c)

koolhydraten

d)

andere aminozuren

2.

Enkele stoffen in het lichaam van de mens: essentiële aminozuren, glucagon, glucose en ureum.

Welke van deze stoffen worden in de lever gevormd?

a)

essentiële aminozuren en glucagon

b)

essentiële aminozuren en ureum

c)

glucagon en glucose

d)

glucose en ureum

3.

Hieronder een aantal stoffen die in het lichaam van de mens voorkomen:1) aminozuren2) koolhydraten3) eiwittenVan welke van deze stoffen kan in de lever de concentratie in het bloed gewijzigd worden?

a)

1

b)

2

c)

2 en 3

d)

1, 2 en 3

4.

Enkele stoffen die in het bloed voorkomen zijn: vitamine D, glycogeen, eiwitten en ijzer.

Welke deze stoffen kunnen in de lever worden opgeslagen?

a)

alleen eiwitten en ijzer

b)

alleen vitamine D, glycogeen en ijzer

c)

alleen vitamine D en glycogeen

d)

vitamine D, glycogeen, eiwitten en ijzer

5.

Platina tegen kankerIn 1996 werd bij de Amerikaanse wielrenner Lance Armstrong zaadbalkanker geconstateerd, met uitzaaiingen naar de longen en de hersenen. Dankzij chemotherapie met een platinaverbinding genas hij. Hij won in 1999, 2000, 2001 en 2002 zelfs de Tour de France. De onderzoeker Rosenberg stelde vast dat bacteriën in aanwezigheid van een platinaverbinding stoppen met delen, maar wel uitgroeien tot reuzencellen. Vervolgens onderzocht hij die platinaverbinding op antitumoractiviteit. Bepaalde tumoren blijken inderdaad zeer gevoelig voor die platinaverbinding. De helft van de ingebrachte platinaverbinding wordt binnen 48 uur weer ongebruikt uitgescheiden. Van welke organen is te verwachten dat zij het meest bijdragen tot deze uitscheiding?

a)

darmen en de huid

b)

darmen en de longen

c)

darmen en de nieren

d)

lever en de longen

e)

Lever en de nieren

6.

De schommelingen in glucosegehalte van het bloed in de poortader, in de leverader en in de leverslagader worden met elkaar vergeleken. In welk van deze bloedvaten is het verschil tussen het minimum glucosegehalte en het maximum glucosegehalte van het bloed het kleinst en in welk het grootst?

a)

kleinst = leverader & grootst = poortader

b)

kleinst = leverader & grootst = leverslagader

c)

kleinst = leverslagader & grootst = poortader

d)

kleinst = leverslagader & grootst = leverader

7.

Bij een bepaalde ziekte komen gelijktijdig de volgende verschijnselen voor:1) de urine is donkergeel tot bruin gekleurd2) het oogwit is geel gekleurd3) de ontlasting is bleek van kleur.

Waardoor zullen deze verschijnselen waarschijnlijk veroorzaakt zijn?

a)

doordat de galwegen verstopt zijn

b)

doordat de urineleiders verstopt zijn

c)

doordat de nieren rode bloedcellen doorlaten

d)

doordat de lever te veel ureum afgeeft

8.

Ureum wordt gevormd uit (a)  

9.

De vorming van ureum vindt plaats in de (a)  

10.

De gemiddelde concentratie ureum per ml bloed wordt bepaald op de plaatsen 1 t/m 4.

In welke van onderstaande reeksen is de concentratie ureum gerangschikt van een lage naar een hoge concentratie?(laag ---> hoog)

a)

2-1-3-4

b)

2-1-4-3

c)

3-1-4-2

d)

3-4-1-2

11.

De tekening stelt schematisch de lever van de mens voor met aansluitende bloedvaten, galbuis, galblaas en een gedeelte van de dunne darm. Iemand heeft bij twee buizen of vaten de juiste stroomrichting van de vloeistof met pijlen trachten aan te geven.

Zijn de pijlen juist geplaatst?

a)

P: ja, Q: ja

b)

P: ja, Q: nee

c)

P: nee, Q: ja

d)

P: nee, Q: nee

12.

De menselijke lever breekt overtollige aminozuren af. Als eindproduct(en) van deze afbraak wordt (worden) dan gevormd:

a)

Alleen ureum

b)

Ammoniak en ureum

c)

Ureum en andere koolstofverbindingen

d)

Ammoniak en andere koolstofverbindingen

13.

De gal wordt uitgescheiden door de lever. De galkleurstoffen die in de gal zitten zijn in de lever vrijgekomen bij de afbraak van

a)

Lipase

b)

Vetten

c)

Rode bloedlichaampjes

d)

Galzure zouten

14.

De tekening stelt de lever voor met aansluitende bloedvaten. Voor deze bloedvaten geldt:

Het glucosegehalte in bloedvat 1 is gemiddeld hoger dan dat in 2 en 3.

Het ureumgehalte in bloedvat 2 is gemiddeld hoger dan dat in 1 en 3.

Hoe heten de bloedvaten?

a)

1 = leverader, 2 = leverslagader, 3 = poortader

b)

1 = leverader, 2 = poortader, 3 = leverslagader

c)

1 = poortader, 2 = leverader, 3 = leverslagader

d)

1 = poortader, 2 = leverslagader, 3 = leverader

15.

CholesterolDe lever maakt per etmaal ongeveer 1 gram cholesterol. Daarnaast wordt cholesterol opgenomen met het voedsel. Cholesterol is een vetachtige stof die een belangrijke rol speelt bij de opbouw van celmembranen en die dient als grondstof voor de productie van bepaalde hormonen. Onder normale omstandigheden bestaat er een evenwicht tussen de hoeveelheden vet en cholesterol die door de lever wordt opgenomen en die wordt afgegeven aan het bloed.Het hormoon insuline heeft invloed op dit evenwicht. Het evenwicht kan verstoord raken, bijvoorbeeld wanneer de voeding een te grote hoeveelheid verzadigde vetten bevat, of wanneer iemand een aandoening heeft, zoals suikerziekte.Cholesterol wordt in het bloed getransporteerd, gebonden in LDL of in HDL. Het LDL-cholesterol kan zich in de wand van bloedvaten ophopen en heet daarom ook wel het 'slechte' cholesterol. HDL kan cholesterol uit de vaatwand opnemen en naar de lever terug vervoeren. HDL-cholesterol heet het 'goede' cholesterol.In het lichaam wordt hemoglobine van 'versleten' rode bloedcellen afgebroken. Uit het niet-eiwitdeel van hemoglobine wordt ijzer onttrokken; wat overblijft wordt bilirubine, een geelbruine stof die in de lever verder wordt verwerkt. Het eiwitdeel kan door de lever worden afgebroken tot ureum.

Langs welke weg verlaten de afbraakproducten van hemoglobine het lichaam?

a)

bilirubine voornamelijk via de darm en ureum via de nieren

b)

bilirubine voornamelijk via de nieren en ureum via de darm

c)

zowel bilirubine als ureum alleen via de darm

d)

zowel bilirubine als ureum alleen via de nieren

16.
Een leverlobje is
a)
achthoekig
b)
vijhoekig
c)
zeshoekig
17.

In een experiment wordt een proefdier ingespoten met radioactieve glucosemoleculen. Deze moleculen worden in het bloed door het hele lichaam van het proefdier verspreid. Na verloop van tijd worden stoffen die radioactief zijn in het lichaam van het proefdier gevormd.

Kunnen de volgende stoffen in het lichaam van het proefdier radioactief zijn?

Eiwit ja/nee Koolhydraat ja/nee Vet ja/nee

a)

Alleen Eiwit

b)

Alleen Koolhydraat

c)

Eiwit en vet

d)

Koolhydraat en eiwit

e)

alledrie

18.

Waarom moet ammoniak worden omgezet in ureum voordat het in het bloed wordt vervoerd?

a)

Het is oplosbaar

b)

Het is niet oplosbaar

19.

Wat is E?

(a)